07 juli 2024

Rattenvangers, metselaars en boekenliefhebbers

Lekker rustig buitenaf wonen: veel mensen dromen ervan, maar er zijn er maar weinig die het gaan doen. De stad voelt toch wat vertrouwder en je hebt er alles bij de hand. Een geruststellende gedachte, ook al gebruik je het meeste van wat er bij de hand is niet of nauwelijks. Voor echte stadsmensen is wonen in de natuur ook wel een beetje eng. Donker is er écht donker. En dan die beestjes...

Ja, die beestjes. Daar gaan we het maar eens even over hebben, want het is al een tijd geleden dat die hier aan bod gekomen zijn. Nu de regentijd alweer een tijdje aan de gang is en de rijstvelden om ons heen langzaam onder beginnen te lopen, krijgen we ook wat vaker bezoekers die droge voeten willen houden. Als ze voeten hebben tenminste. Want ook slangen weten ons landje te vinden.

Deze kukri (oligodon fasciolatus) bijvoorbeeld. Hij stak vanmorgen het terras over toen ik met de kruiwagen aankwam. Op de foto lijkt het een flinke jongen, maar hij is nog geen meter lang. Dat vinden we wel meevallen. Hij deed geen moeite om er snel vandoor te gaan, zodat Mieke er op tijd bij was met de camera. Hij gedroeg zich ook niet agressief. Kukri's blijken ongevaarlijk te zijn, alleen wisten we op het moment dat we hem zagen nog niet dat het een kukri was, dus benaderden we hem voorzichtig. Mieke houdt van alle dieren en trakteerde de slang als dank voor de fotosessie op een paar superwormen. Jaja, dat zijn ook dieren, maar ehhhh, nouja, zoals de Thai zeggen: same same but different. De kukri houdt nu ook van Mieke. Toen ik weg was voor wat boodschappen zocht hij haar op in de keuken. Ook de liefde van de slang gaat door de maag.

Dat bleek ook weer toen we een Indo-Chinese ratslang (ptyas korros) in de volière aantroffen. Die is met zijn 2 meter heel wat ontzagwekkender dan de kukri, maar eveneens ongevaarlijk. We zien ze vaak en het is een van de soorten die we inmiddels wel herkennen (hopen we). De naam verwijst naar zijn favoriete voedsel, en dat is ook de reden waarom we hem hier graag zien. Maar nu was hij dus in de volière, en daar zat hij niet omdat hij vogeltjes zo leuk vindt om te zien. Hij houdt ook van vogeltjes, maar in een andere betekenis dan wij dat doen. Hoe hij binnengekomen was, was ons een raadsel. Zelf wist hij dat ook niet meer, want hij wilde wel voor ons vluchten, maar kon de uitgang niet vinden. Met de slangengrijper hebben we hem toen maar opgepakt en buiten gezet. Nu zijn we bezig met een soort van nooduitgangen in de volière, die we bij een volgend slangenbezoek kunnen openzetten zodat vergeetachtige exemplaren tóch een uitweg vinden.

En dan was er vanmiddag ook nog dit kleintje, waarvan ik de naam niet weet. Hij zat verstopt in de opgerolde tuinslang en ging er als een haas vandoor.

Vervelender bezoek zijn de ratten. Ze zijn hier niet te vermijden. Normaal leven ze in de velden, maar nu zoeken ze de droge plekken op. Eerst vingen we ze in vallen en brachten ze dan naar een bos verderop, of gaven ze aan de buurman die graag rattenvlees eet. Maar ratten leren snel en al snel bleven de vallen leeg. Zonder maatregelen zouden er inmiddels enorme aantallen rond ons huisje bivakkeren, alle vogelnesten leeghalen, stroomdraden doorknagen en hagedissen en andere dieren opeten, dus met frisse tegenzin leggen we toch maar gif neer.

Bij onze rattenbestrijding hebben we hulp van de toekehs. Dat zijn de grootste gecko's, een hagedissoort. Toekehs lusten wel een babyratje. Moederratten stellen dat niet zo op prijs, dus horen we 's nachts nog wel eens het gerommel van een gevecht op het zoldertje. Omdat de toekehs ook muggen en andere insecten vangen, zijn ze bij ons zeer welkom. Daar maken ze dankbaar gebruik van; achter een van de kasten vonden we een toekeh-kraamkamer. Een keerzijde heeft dat wel: toekehpoep. Gelukkig doen ze hun behoefte altijd op dezelfde plek. Dus regelmatig even opruimen is geen overbodige actie, want heel fris ruikt het niet en het ziet er niet uit. Gelukkig zit hun kraamkamertoilet vooral onder de kast, zodat we er makkelijk bijkunnen.

Tjiktjaks zijn ook gecko's, maar dan hele kleine. Vooral 's avonds zie je ze over de muren en plafonds lopen om de insecten te vangen die op het licht afkomen. Met één tjiktjak heb ik een bijzondere relatie. Hij zit altijd bij me op het bureau als ik op de computer bezig ben. Regelmatig springt hij ook op mijn scherm, waar de insecten vaak voor het grijpen zijn. Dat levert soms grappige beelden op, bijvoorbeeld als hij komt kijken terwijl ik net een foto aan het bewerken ben die ik kort daarvoor van hem gemaakt heb.

Het is verbazingwekkend om te zien wat een knoeperts van insecten ze weten te verorberen. Het kostte wel een tijdje, maar uiteindelijk werd deze krekel helemaal weggewerkt. Zelfs op de reuzesprinkhaan die naast mijn toetsenbord landde werd de aanval ingezet, maar die liet zich niet verschalken.

Buiten is inmiddels Mieke's droom werkelijkheid geworden. Er zijn blauwkop-prachtagamen (Calotes mystaceus) in de tuin komen wonen. Agamen zijn net als gecko's een hagedissoort en dit mannetje is echt een beauty. Zijn kop kleurt onder bepaalde omstandigheden fel blauw en die kleur wordt nog eens benadrukt als hij letterlijk een keel opzet. Natuurlijk proberen we hem te paaien met een voerbakje aan de boom dat regelmatig gevuld wordt met lekkernijen.


De hoop is natuurlijk dat hij net zo tam wordt als die andere prachtagame, de calotes versicolor, die in het Nederlands de merkwaardige naam "bloedzuiger" heeft gekregen. Dat heeft hij te danken aan de fel oranjerode kop die hij plotseling, bij opwinding of agressie krijgt, waardoor vroeger gedacht werd dat hij bloed dronk. De Engelse naam "garden lizard" klinkt heel wat vriendelijker en past ook beter. Ze zijn sowieso al niet heel bang voor mensen, maar leg je een paar meelwormen op je hand, dan zijn ze echt niet meer te houden en binnen de kortste keren stappen ze op je hand.


Terwijl ik dit allemaal aan het schrijven ben, komt er een urntjeswesp de kamer binnen. Die heet zo omdat zij daadwerkelijk een mini-urntje metselt, Daarin legt zij een eitje én een insect dat ze verdoofd heeft, zodat het in leven blijft en niet gaat ontbinden. Dan sluit ze de ingang af. Als de larve uitkomt staat het feestmaal dus al klaar. Is hij voldoende op krachten dan opent de jonge wesp het urntje en vliegt uit.
De wesp blijkt haar urntje al bijna klaar te hebben, maar ik zie het nu pas zitten, aan de zijkant van mijn monitor. Ik sta gauw op op mijn camera te pakken, maar als ik die goed heb ingesteld is de wesp alweer verdwenen. Daarom zoek ik even naar een oudere foto die ik al eens gemaakt heb van een urntjeswesp aan het werk. Sneller dan verwacht is ze echter al weer terug, zodat ik toch nog een plaatje kan schieten. Zou een van haar voorouders in het urntje op de schermfoto geboren zijn?


Maar laten we weer naar buiten gaan, want daar speelt de mooiste show zich af. De indische gapers, een kleine ooievaarssoort, vlucht niet voor de ondergelopen weilanden, maar komt er juist op af. Ze heten zo omdat er een gat gaapt tussen hun twee snavel-delen. Daardoor beschikken ze over precies het goede gereedschap om slakken uit hun huisjes te peuteren. Die slakken zijn in de rijstvelden nu volop te vinden, dus kunnen we dagelijks genieten van soms wel honderden ooievaars die in grote groepen door de lucht cirkelen of in de rijstvelden fourageren.


Zo af en toe hebben we de hoofdprijs. Dan verzamelen de ooievaars massaal in een paar bomen achter ons landje om daar te overnachten. Een spectaculair schouwspel waar we iedere keer weer van genieten.


Hoewel we de ooievaars een warm hart toedragen hebben we ook wel te doen met de slakken, die toch echt wel de underdog zijn in dit verhaal. Dus als er dan eentje bescherming komt zoeken, kan die op ons rekenen en aanschuiven aan, of beter gezegd op tafel om een stuk watermeloen te verorberen.


Is het dan allemaal alleen maar geweldig met al die dieren? Nou, eerlijk gezegd vielen er onlangs wel wat krachttermen toen de termieten, die ware boekenliefhebbers zijn, zich aan een aantal werken in onze boekenkast tegoed hadden gedaan. Dat is toch dierengedrag dat we wat minder kunnen waarderen. Hoewel Mieke vindt dat het een mooie oefening biedt om vergankelijkheid te leren accepteren. Om te voorkomen dat de volledige collectie als termietenpoep zou eindigen hebben we snel de kast leeggehaald en een heuse boekverbranding georganiseerd. Maar niet nadat we een fotoserie van de aangetaste boeken hadden geschoten. Want zeg nu zelf: ze maken er wel kunstwerkjes van. De hele serie kun je bekijken op https://www.flickr.com/photos/miquefrancois/albums/72177720318376983/. Inclusief het ene boekje dat ze niet hadden aangevreten: Insects of Sout East Asia. Termieten zijn niet gek: dat boekje daar staan ze zelf in.







23 juni 2024

Vergankelijkheid

Jasmijn vraagt:

Hoe ga je om met eindigheid? Zoals fijne momenten waar een einde aan komt, levens die niet lang meer zullen duren?


Alles is vergankelijk. Dat is een thema dat in de boeddhistische leer uitgebreid aan de orde komt, en waar vanuit het boeddhistisch perspectief totaal anders over gedacht, gevoeld, en mee omgegaan wordt dan in onze westerse cultuur.

 

Zoals ik ben opgegroeid, mogen leuke, goede en fijne dingen lang duren, en het liefst helemaal nooit ophouden. Dat is geluk, zo leerde ik, en dat is waar we naar streven. Onaangename dingen zijn onwenselijk en daar willen we zo snel mogelijk vanaf. Houden leuke dingen snel op, of duren onaangename dingen lang, dan voelen we ons al snel down, depressief, ongelukkig. Dan doen we iets niet goed, of een ander doet iets niet goed, waar wij de negatieve consequenties van ondervinden.

Over het algemeen heeft vergankelijkheid in het westen een negatieve connotatie. Zo zijn doodgaan en ziekzijn ‘erg’, en omgeven met emoties, taal en verwachtingen, die met een bepaalde zwaarte beladen zijn. Het ‘ach-en-wee-fenomeen’ noem ik dat. Zorgelijke gezichten, begripvolle blikken gepaard gaande met belangstellende vragen als ‘hoe gáát het nou met je?’ Dat zijn sociale codes waarmee je kenbaar maakt, al dan niet van harte gemeend, dat je begaan bent met het lot van de ander, en dat je begrijpt dat de ander het moeilijk of zwaar heeft. We lijden, en we lijden mee.

Dat lijden zit hem echter niet in de ervaringen op zich, maar in de gedachten die we vervolgens rondom een ervaring formuleren. Ik geloof dat ik het gebroken-been-voorbeeld al eens eerder heb gebruikt. Afhankelijk van de manier van denken maakt het gebroken been je tot een slachtoffer van het noodlot, je lijdt onder de pijn en het onvermogen te kunnen rondlopen, óf biedt het je kansen op andere, positieve ervaringen die je niet voorzien had, maar misschien wel kunt waarderen. Een periode van rust en reflectie, bijvoorbeeld. Je bent dan in staat de pijn te relativeren en te focussen op het genieten van de rust.


Alles is vergankelijk, alles gaat voorbij. Het accepteren van dat principe vormde voor mij een belangrijke basis voor het omgaan met eigenlijk elke ervaring in mijn leven. Zowel de positieve als de negatieve ervaringen. In geval van negatieve ervaringen is het makkelijker geworden om iets te ‘verdragen' of accepteren. En zelfs benieuwd te zijn naar wat die ervaring me op termijn te leren heeft. Want geen enkele ervaring is er voor niets, zo geloof ik. Negatieve ervaringen verdienen eigenlijk niet langer de benaming negatief, hetgeen niet wegneemt dat een ervaring pijnlijk, moeilijk, lastig of zwaar kan zijn.

In geval van fijne ervaringen is die acceptatie een manier om bewuster te genieten van wat er in dit moment is, zonder me op voorhand zorgen te maken over het moment waarop het voorbij zal zijn. Want daar had ik wel een handje van. En nog steeds heb ik het vaak even nodig mezelf eraan te herinneren mijn gedachten te observeren. Maar de oefening maakt dat het steeds vanzelfsprekender wordt ervan uit te gaan dat alles voorbij gaat, dat dat onvermijdelijk is, inherent aan leven, en dat dat helemaal prima is.

Toen ik jaren geleden in een Overloons bos woonde was ik bijna dagelijks met mijn honden in ‘mijn’ bos te vinden. ‘Mijn', omdat ik er buiten de grotere, doorgaande paden zelden iemand anders tegenkwam. De meeste mensen wandelen niet graag in bossen waar geen routes zijn aangegeven. Ik kende er elk wildspoor en elk kruip-door-sluip-door paadje, en ik vond het heerlijk me ver van de bewoonde wereld te wanen, en genoot van het gevoel ongestoord te wandelen en deel uit te maken van de natuur om me heen. Ik kende elk spechtennest en vossenhol, en ik had bij regelmaat mooie ontmoetingen, met reeën, buizerds, en zelfs een keer een groep kraanvogels die rustten in een weiland grenzend aan het bos.

Op zekere dag hoorde ik al van een grote afstand een hoop kabaal, en dichterbij komend ontdekte ik dat er een werkploeg bezig was met grote machines bomen te rooien. Ik was helemaal ontdaan. Wat gebeurde er hier in ‘mijn' bos? Het zag er afschuwelijk uit. ‘Geschonden', was het woord dat het beste paste bij dat beeld. Onderweg naar huis heb ik aan één stuk door, als een mantra gereciteerd: ‘alles is vergankelijk, alles gaat voorbij.’ Toen ik thuiskwam was ik rustig, en kon ik bedenken dat er uit die werkzaamheden misschien iets goeds zou voortkomen, al kon ik toen nog absoluut niet bedenken wat dat dan zou kunnen zijn, anders dan dat ik een mogelijkheid kreeg aangereikt te leren aanvaarden dat ik  geen controle heb over wat er zich in de buitenwereld allemaal afspeelt.


De werkzaamheden in het bos hebben pakweg een week geduurd, en toen het weer stil was in het bos waren er drie plekken waar een enorme kaalslag had plaatsgevonden. Het was een puinhoop. Als grote wonden, zo zagen die plekken eruit. De gerooide bomen waren verdwenen, maar het lag bezaaid met afgerukte takken en zaagsel, de onderbegroeiing was vertrapt en de verdwenen bomen hadden diepe gaten achtergelaten. Het enige positieve dat ik toen kon bedenken was dat het najaar was en er geen broedende vogels waren verjaagd, of nesten met eieren of jongen waren vernield. Een tijdlang vermeed ik die plekken, omdat ik treurig werd van de aanblik.

Pas in het late voorjaar van het jaar erna ging ik er weer kijken. Ik had inmiddels hier en daar navraag gedaan, en geleerd dat deze open plekken om twee redenen worden gemaakt. Omdat het een manier is om een deel van de uitheemse en op sommige plekken overheersende vliegdennen uit te dunnen, waardoor het inheemse loofhout, dat onder de dennen kiemt, de kans krijgt op te groeien, waardoor er in zo’n bos meer biodiversiteit ontstaat. Op de tweede plaats worden er op deze manier open plekken gecreëerd, waar reeën graag foerageren. Wetend dat dit dus niet ‘zomaar' een actie was, voor de opbrengst van hout, voelde ik me al een stuk minder beroerd bij de herinnering aan die herfstdagen. En toen ik voor het eerst weer op die plekken kwam, was ik alleen maar blij verrast. Er was niets meer te zien van de schade die er het jaar daarvoor was aangericht. Alles was frisgroen en de hele plek was begroeid met jonge varens, boompjes en stuikjes. En het licht was zó mooi….


In de loop van mijn leven heb ik op verschillende plekken gewoond, en elke keer werden die plekken na verloop van tijd paradijsjes. Vrienden en familieleden die bij ons op bezoek kwamen benadrukten dat bij regelmaat, en ik had het gevoel nooit meer van die plek weg te willen. En toch veranderde er dan op zeker moment iets aan mijn situatie waardoor het op de een of andere manier vanzelfsprekend was dat ik daar niet bleef wonen. Ik verbaasde me soms over het gemak waarmee ik zo’n woonplek dan achterliet. Weliswaar met iets van weemoed en pijnlijke zowel als mooie herinneringen, maar steeds met een open hart en nieuwsgierigheid wat een volgende woon- of levensfase me dan te bieden zou hebben. Ook nu hebben we in Thailand weer een paradijsje weten te creëren (al zeggen we het ook zelf), maar ik realiseer me nu meer dan ooit dat dat paradijsje in onszelf zit, en dat het steeds opnieuw vorm krijgt op de plekken waar we wonen. Daarmee wordt de gedachte dat er mogelijk ooit omstandigheden zullen zijn waaronder we opnieuw voor een andere woonplek moeten of mogen kiezen, een neutraal idee. Iets dat bij het leven hoort en waar je, als het zich eenmaal aandient, ook naar uit kunt kijken in plaats van er tegenop te zien. Het maakt niet uit. Nu is ons paradijsje hier. Ook de voorwaarden waar een plek aan moet voldoen om een paradijsje te kunnen zijn of worden veranderden in de loop der tijd. Ik geloof dat ik in een appartementje met een balkonnetje net zo happy zou kunnen wezen… Ik realiseer me hierbij trouwens ook, dat ik makkelijk praten heb omdat ik geboren ben op en plek waar een dak boven je hoofd voor de meeste mensen toch min of meer vanzelfsprekend is.

Tja, en dan die verandering die haast altijd ‘groot' voelt: de dood. De dood ís natuurlijk ook groot. Maar in mijn beleving niet groter dan het leven. Meer een fase die er onvermijdelijk bij hoort als je eenmaal geboren bent. En die niet beter of slechter is dan al die andere fasen die we gaandeweg meemaken. Maar ook de dood heeft in onze cultuur een zware, negatieve betekenis. Liever hebben we er niet mee van doen. Wanneer een hoogbejaarde grootouder overlijdt kunnen we dat als erg verdrietig ervaren, maar gezien de leeftijd is het dan vaak vanzelfsprekender er vrede mee te hebben. ‘Toch een mooie leeftijd, 98 jaar’, of ‘ze was er ook wel klaar mee, met het leven.' Maar niet iedereen wordt 98 jaar. Een enkeling wordt nog ouder, en velen sterven jonger. Ik vind dat altijd een beetje lastig om hardop te zeggen, want als het je eigen ‘inner circle' betreft voelt dat natuurlijk heel anders, maar iets in mij vindt dat het niet zoveel uitmaakt of een mens 2, 20, 60 of 100 jaar wordt. In alle gevallen ben je hier, en in een vingerknip weer weg. Maar dat het verlies van een (jong) kind, van een jonge ouder, broer of zus, je partner of een hartsvriendin je leven totaal kan veranderen, dat wil ik daarmee absoluut niet bagatelliseren. Ik weet niet hoe het zal zijn als ik mijn Lief aan de dood verlies. Rouw kan rauw zijn, hartverscheurend, intens pijnlijk en soms denk je een verlies nooit meer te boven te komen. Maar ook hier weer heb ik ervaren dat de manier van rouwen, de kwaliteit ervan, mede bepalend is voor hoe je een verlies uiteindelijk beleeft. ‘Dit had niet mogen gebeuren’ versus ‘Ik had hem of haar graag nog langer bij me gehad’ maakt een wereld van verschil in hoe je een verlies ervaart, zonder iets af te doen aan het gemis en het verdriet. Dat zijn verschillende dingen. Verdriet en gemis zullen er altijd in meerdere of mindere mate zijn. Maar mág het er zijn, omdat het je vertelt hoeveel je van iemand houdt, of verzet je je ertegen, omdat je de pijn niet wil voelen, of niet aan denkt te kunnen?


Toen ik nog in Nederland woonde werd ik uitvaartfotograaf, en ook maakte ik reportages bij mensen thuis, of in het ziekenhuis, die stervende waren, of voor mensen die een stervende ouder, geliefde, of een stervend kind hadden die ze voor een laatste keer in beeld wilden vatten, als herinnering voor later. Ik heb vaak mogen ervaren dat, wanneer er een ernstige ziekte of de dood in beeld komt, er een sfeer ontstaat waarin smalltalk en trivia niet meer aan de orde zijn. Er ontstaan meer betekenisvolle gesprekken, er is meer verdieping, de sfeer wordt sereen, respectvol, liefdevol. Heel veel mensen leren iets van de dood. Kijken terug op een stervensproces en realiseren zich, soms pas na jaren maar vaak al meteen, dat het ze in positieve zin veranderd heeft.

We maken foto’s tijdens een zwangerschap, bij geboorten, verjaardagen, eerste-schooldagen, diploma-uitreikingen, huwelijken, vakanties, en tegenwoordig zelfs van honderdduizend volkomen onbelangrijke gebeurtenissen. En inmiddels is het gelukkig aan het veranderen, maar het is nog niet zo lang geleden dat we stopten met fotograferen zodra er ziekte of dood in het spel kwam. Dat is iets om over na te denken, vind ik. Want met het (proberen te) vermijden van ziekte en dood ontzeggen we onszelf bijzondere ervaringen die ons dichter bij onszelf en de ander kunnen brengen.


Het is vandaag de geboortedag van mijn lieve Karin, die in 2022 overleed. Ik vier haar leven. Met een grote, liefdevolle lach, en een kleine traan. Ik mocht dicht bij haar zijn in haar proces naar de dood, en wat hebben we daar beiden ongelofelijk van genoten. Het was onze mooiste tijd samen, in de bijna 25 jaren dat we bevriend waren. Ik mis haar glasheldere lach en stem, onze urenlange gesprekken, ik mis van alles. Maar het gemis is kleiner dan de vreugde en dankbaarheid voor het feit dat er iemand als zij in mijn leven was en is. Ik vind het niet makkelijk om te zeggen, omdat ik niet weet of het ontvangen en begrepen wordt zoals ik het bedoel. Maar ik vind het niet erg dat Karin niet meer fysiek hier is. Zij heeft een nieuwe stap gezet op haar pad, en de herinneringen zijn onuitwisbaar. Zo gaat dat nou eenmaal in het leven. Ik heb in elk geval van haar geleerd hoe heerlijk het is om de tijd die je samen hebt ten volle te Leven, met alles erop en eraan. Tijdens een proces naar sterven niet te treuren om wat komen gaat, maar te Leven met wat er is. Alles is vergankelijk, en in het aanvaarden daarvan schuilt voor mij een grote schoonheid en een diepe rust.

Liefs,
Mieke 

13 juni 2024

Daar kwam de ling uit de plok hoem

Als we hier bezoekers krijgen gaat het vaak over het eenvoudige, niet-luxueuze leven dat we hier leiden. Maar is dat eigenlijk wel zo? In vergelijking met de gemiddelde Nederlander wel. Geen grote koel-vrieskast, geen televisie, geen wasmachine, geen vaste internetaansluiting, tot voor kort zelfs geen electriciteitsaansluiting, geen oven, geen 4-pitskookplaat, geen SUV maar een 11 jaar oude Toyota pickup, geen groot huis, maar een met één kamer en douche en wc buiten.


Vergelijken we het echter met de meeste Thai hier in het dorp, dan ligt het allemaal wat anders. Want die hebben geen dure fotocamera, laat staan 3. En geen bed met comfortabel zacht matras, niet overal zitjes in de tuin, geen elektrische kettingzaag en boormachine, geen verzameling kunstboeken en poëzie, geen airco op zonnepanelen, geen laptop, zelfs geen 11 jaar oude pickup. En al helemaal geen AOW. Ondanks de korting van 2% per jaar dat we niet in Nederland woonden, ligt die nog altijd fors boven het inkomen van de gemiddelde Thai.

Bovendien kunnen we de luxe die we dan zogenaamd ontberen gemakkelijk compenseren. Willen we een TV-programma écht zien, wat niet zo vaak voorkomt, dan kan dat ook op de telefoon of laptop. We kunnen ons zonnepanelen veroorloven, en gaan vrijwel dagelijks buiten de deur eten. En de was hoeft niet op de hand, maar kan in de wasserette. Hoezo niet-luxueus?

Hier om de hoek is trouwens een wasserette, maar die draait alleen koude wasjes en heeft geen drogers. Meestal is dat laatste geen probleem, maar momenteel is het regentijd en is de luchtvochtigheid zo hoog dat de was niet goed droogt. Sinds kort is er langs de weg naar de stad een wasserette gekomen waar je ook warm en heet kunt wassen én je was kunt drogen. Die luxe permitteren we ons zo nu en dan.



Vanmorgen zat ik wat mail te beantwoorden in de wasserette, terwijl de machine een hete was aan het draaien was. Ineens ging mijn telefoon. Ik zag dat het Khun Lek was. Lek woont met Sawat, de zus van onze vriendin Somtjid (de restauranthoudster die wel vaker in onze blogs voorbijkomt) aan een onverharde weg achter het dorpsrestaurant. Ik nam op.

“Sawadee krap Khun Lek. Sabaidee mai krap?” (Hallo Lek, alles goed? (Ik zal voor het gemak in het Nederlands verder gaan.))

“Hallo khun Fransoewah, waar ben je?” Ze klonk nogal opgewonden.

“Ik ben in de wasserette, de was aan het doen. Waarom wil je dat weten?”

“Khun Miekèw (zo spreken ze hier Mieke uit) kwam voorbij ons huis lopen. Ik vroeg waar ze heen ging maar begreep haar niet.”

Ah, daar kwam de ling uit de plok hoem, ofwel de aap uit de mouw. Mieke kwam in haar eentje langswandelen en dat was nog nooit eerder gebeurd. De Thaise nieuwsgierigheid was gewekt. Wat zou ze gaan doen? Ze had iets gezegd van koffie drinken, maar wist Fransoewah daar dan wel van? Want waarom was die er niet bij? Nou is het in Thailand heel gewoon om aan iemand die je tegenkomt vragen te stellen als “waar ga je heen?” of “waar ben je geweest?”, “met wie?”, “wat heb je gekocht?, “hoeveel heb je daarvoor betaald?” Maar met zo’n vraag gebeld worden, dat was toch echt nieuw voor me.

Ik kon haar geruststellen. We hadden met James, de vriend waar ik jarenlang wekelijks mee geschaakt heb, afgesproken bij een koffietentje net buiten ons dorp en Mieke had bedacht daar alvast heen te wandelen. Gerustgesteld hing ze op. Geen stiekeme escapades van Miekèw; Fransoewah wist ervan. Mieke heeft Lek nog even een foto gestuurd van de twee mannen waar ze haar afspraakje mee had.


Op de linker bank van voor naar achter Somtjid, Lek en Sawat

Is het bemoeizucht? Of grenzeloze nieuwsgierigheid? Of bezorgdheid? Het is in ieder geval heel Thais. Het past denk ik bij het leven in kleine hechte gemeenschappen. De sociale controle die in Nederland grotendeels verdwenen is. Te benauwend voor onze individualistische samenleving, maar de prijs is dat mensen zich niet meer veilig voelen op straat. Want als er wél iets verontrustends gebeurt wordt het ook niet meer gezien. Okee, we worden in de gaten houden. Maar gaat er iets niet goed of hebben we hulp nodig, dan wordt dat ook gezien.

Wij konden er in ieder geval ook hartelijk om lachen.


Stefan Kluth is een Duitser die in Thailand woont en hier met zijn videocamera mensen opzoekt om vast te leggen hoe ze wonen en wat ze heeft doen besluiten om naar Thailand te verhuizen. Vorige week was hij bij ons en zijn verslag staat nu op youtube. Leuk om te bekijken als je een indruk wilt krijgen van hoe we hier wonen, maar we nemen het je niet kwalijk als je hier en daar even doorspoelt. De video duurt namelijk bijna een uur; de eerste 35 minuten zijn lopend over het landje gemaakt. Je vindt de video op https://youtu.be/koH6slJLz50.

06 juni 2024

Eilandverhalen 2

In april/mei verbleven we een maand op Koh Jum, een klein eilandje in Zuid Thailand. De laptop was thuisgebleven, en de blogs werden ouderwets met de pen in het notitieboek geschreven. Het zijn lekker korte verhaaltjes geworden. Vandaag de laatste twee met tussenin een melig gedichtje.


Wereldfietser

Aan het tafeltje achter ons favoriete ontbijttentje aan het strand nestelt zich een Amerikaan. “I came all the way on my bicycle”, horen we hem tegen de uitbater zeggen. Hij vertelt verder over hoe fantastisch het is om de wereld op de fiets te verkennen. Omdat we zelf regelmatig onderdak bieden aan lange-afstandsfietsers, knopen we even een praatje aan. Al snel blijkt dat hij helemaal geen lange-afstandsfietser is, maar uitsluitend het eiland per fiets verkent. Koh Jum is met zijn 18 vierkante kilometer iets minder dan de helft van Schiermonnikoog. Geen wereldprestatie dus, om je daar per fiets te verplaatsen. Toch blijkt zijn prestatie bijzonder. Want buiten onszelf zijn er nauwelijks fietsers te zien. Iedereen verplaatst zich hier met de brommer. Vanuit eilandersperspectief is die Amerikaan dus wel degelijk een lange-afstandsfietser. En zijn wij dat dus ook.



Eden

Heden
op onze velocipeden
naar de zee gereden,
alwaar Mieke lijf en leden
professioneel heeft laten kneden.
Tevreden
over hoe de handen het deden,
met reden
over haar lichaam gleden,
van boven naar beneden
aandacht besteedden,
pijnlijke delen meden.


Ik had stante pede
een terras betreden,
intens tevreden,
dat ik het kneden
had vermeden.


Herrie.

Koh Jum is maar een klein eiland. Een kilometer of 8 lang, en op het breedste punt ongeveer 3 kilometer. Volgens de reisgidsen en online influencers is het nog onontdekt door het toerisme. Dat is op zich al een tegenstrijdigheid, want onontdekte plekken staan niet in reisgidsen of op websites. Bovendien zijn er minstens 20 resorts. De meeste weliswaar heel eenvoudig, maar ze staan er niet voor de lokale bevolking. Op straat kom je ook regelmatig toeristen tegen en op het strand bijna alleen maar. Maar in vergelijking met populaire bestemmingen als Koh Tao of Phuket is het hier inderdaad zo goed als uitgestorven.

Niettemin is het hier een kolereherrie. Althans, voor ons rijstveldbewoners die niks gewend zijn. En dat ligt niet aan de toeristen. Nee, de meeste herrie komt van de bewoners zelf. Je zou verwachten op zo’n klein eiland, dat iedereen zich lopend of per fiets verplaatst, maar zo werkt het hier niet. Net als in de rest van het land pakken de Thai, zelfs voor de kleinste afstanden de brommer of auto. Als Malee, de uitbaatster van ons favoriete restaurantje, iets niet op voorraad heeft, springt ze op haar brommer en rijdt naar het marktje 100 meter verderop. Doordat ze niet de enige is die voor alles de brommer pakt, hoor je de godganse dag de herrie van verkeer. Bij gebrek aan (handhaving van) geluidsnormen is dat ook nog eens onnodig veel herrie.


Zonde van zo’n plek, waar fietsen eigenlijk alleen maar voordelen heeft. Een fiets is veel goedkoper, je bespaart benzine en je hebt lichaamsbeweging. De weg die het noordelijkste bewoonde plekje met het zuidelijkste verbindt is 8,9 kilometer lang. Alleen voor sommige strandjes moet je een stukje verder rijden, maar als je naar het strand gaat heb je daar meestal wel tijd voor. Blijkbaar is de lokroep van de (vermeende) luxe toch zo sterk dat de nadelen voor lief worden genomen.

Iets soortgelijks zien we ook bij het bouwen. Traditioneel wonen Thai in houten huisjes, maar wie een beetje meer geld dan gemiddeld heeft laat dat graag zien. Bijvoorbeeld door een modern, betonnen huis neer te zetten. Tijdens ons verblijf op Koh Jum hebben we kunnen ervaren waarom dat niet zo’n goede ontwikkeling lijkt. De eerste dagen logeerden we in een huisje van steen/beton. Die materialen slaan de warmte van de zon op en houden die heel lang vast, waardoor het dag en nacht snikheet was binnen. Zonder airco was het er zelfs ’s nachts niet uit te houden.


Het houten huisje waar we nu zitten heeft hele dunne wanden van gevlochten bamboe. Het is er binnen net zo warm of koel als buiten. Airco is er uiteraard niet, want de koelte kan niet binnen gehouden worden. Maar met een ventilator, en op het heetst van de dag regelmatig even een paar seconden onder de ‘koude’ douche, redden we het prima.



Malee woonde haar hele leven in een houten huisje, maar doordat haar restaurantje en huisjesverhuur goed liepen, kon ze zich een paar jaar geleden ook zo’n modern betonnen huis veroorloven. De nadelen realiseerde ze zich pas toen ze er eenmaal introk: “So hot inside, cannot sleep”.

Op kleine schaal zien we hier de keerzijde van de technische ontwikkeling, zoals die wereldwijd inmiddels ook onontkoombaar is. Al die brommers op afbetaling, 24 uur per dag afhankelijk van koeling bij stijgende temperaturen en energieprijzen. Allerlei dingen die het leven makkelijker lijken te maken, maar gelukkiger worden we er niet van.

Nou ja, makkelijk praten natuurlijk. Zonder al die ontwikkelingen zaten we hier niet. Wij zijn absoluut een ongeloofwaardige partij om te proberen mensen op andere gedachten te brengen. Maar even filosoferen mag. En het geluid van die brommers went uiteindelijk ook. Op het strand hoor je ze trouwens niet.


 

26 mei 2024

Euthanasie

Een paar dagen voordat we weer van Koh Jum naar huis zouden komen, lieten de oppassers weten dat Tibbe een naar hoestje had. Omdat het hondje dat wel vaker heeft zeiden we dat ze het maar even aan moesten zien. Maar toen we 3 dagen later thuis kwamen bleek het toch wel wat ernstiger dan de voorgaande keren. De hele dag en ook de hele nacht door had ze hoestaanvallen die niet echt prettig klonken. De dagen erna zaten we regelmatig bij de dierenarts, en sliepen 's nachts om en om in het gastenhuisje zodat in ieder geval telkens één van ons een ongestoorde nachtrust had.

Omdat er geen echte verbetering optrad, en de diagnose wees op een aandoening die chronisch was en mogelijk tot verstikking zou leiden, begonnen we de mogelijkheid van euthanasie te bespreken. In Nederland zou dat een logische optie zijn, die wellicht zelfs door de dierenarts zelf aan de orde zou worden gesteld. Maar in Thailand is dat helemaal niet zo vanzelfsprekend. Boeddhisten doden geen dieren. Natuurlijk vinden wij dat ook een prachtig uitgangspunt, maar dat je een dier een lange pijnlijke lijdensweg bespaart, in plaats van het langzaam te laten creperen, daar zou de Boeddha volgens ons best begrip voor kunnen opbrengen. 

Maar zo gaat dat hier dus niet. Jongere dierenartsen beginnen er wel steeds meer voor open te staan, maar zijn vaak gebonden aan het beleid van de baas van de kliniek. Ook onze dierenarts stond er niet afwijzend tegenover, maar moest toestemming vragen aan de eigenaar en die was er duidelijk over: doen we niet.

Met onze westerse manier van denken vragen we ons dan meteen af hoe het zit met vlees eten. Want dat doen de meeste Thai zonder scrupules. We hebben het daar een tijd geleden al eens met onze "zoon" Phan over gehad. Van hem mag je best een dier eten, als je het maar niet zelf dood maakt. Wij vonden het dan weer niet heel aardig om iemand anders het vuile werk op te laten knappen. Als jij iemand vraagt om een kip te slachten, zodat jij die op kan eten, is het toch ook jouw schuld dat die kip dood is? Daar moest hij even over nadenken. Bij nader inzien mag je wel een dier doden om het op te eten, maar je mag niet méér doden dan je voor eigen consumptie nodig hebt.  Slagers zijn, volgens Phan, dan ook geen goede mensen.

Dat wil er dan volgens onze logica weer niet echt goed in. Een varken slachten voor alleen eigen gebruik, dat klinkt niet heel haalbaar, tenzij je voor ieder familielid een diepvriezer hebt. En los van wat je vindt van de werkwijze van slagers, is het maar de vraag of de varkens er wat mee opschieten als Jan en alleman aan het slachten slaan. Verder blijft het natuurlijk zo dat de slager zijn slechte werk nog altijd namens de uiteindelijke consument doet, dus het doden van dieren valt niet alleen die slager toe te rekenen.

We kwamen er niet uit. Nu is inconsequent gedrag niet exclusief voorbehouden aan Thaise boeddhisten. De rest van de wereld, inclusief wijzelf, kan er ook wat van, dus we hebben geen pogingen gedaan hem op andere gedachten te brengen. Daar zouden de dieren ook niet mee geholpen zijn.

Wat onze dierenarts uiteindelijk wél deed was suggereren om eens bij een andere kliniek te vragen. Ze zei niet dat ze daar wel open stonden voor euthanasie, maar tussen de regels door was dat wel de boodschap. Uiteindelijk hebben we zelfs twee dierenartsen gevonden die indien onvermijdelijk wilden euthanaseren.

Intussen begon Tibbe toch een beetje te reageren op de pillen en het dagelijkse halfuurtje "vapen". Het hoesten werd minder, ze begon weer van het leven te genieten en wij konden weer samen slapen. Dus besloten we het nog maar een tijdje aan te kijken. Zoals het er nu naar uitziet gaat ze wel weer een tijdje mee, maar het lijkt onvermijdelijk dat de luchtwegproblemen vroeger of later weer terugkomen. Dan is het een prettige gedachte dat we nu dierenartsen kennen die onnodig lijden willen helpen voorkomen. 

Leven in Thailand, heet onze blog. Daar zijn we intussen aardig aan gewend. Het gedoe met Tibbe doet ons wel weer nadenken over doodgaan in Thailand. Want waar je met wat moeite uiteindelijk wel een dierenarts vindt die wil euthanaseren, is dat voor een mensenarts absoluut onbespreekbaar. Hoewel we, vinden we zelf, tamelijk goed zijn in het omgaan met de dingen zoals ze nu eenmaal zijn, is dat best een confronterende gedachte. Maar hopelijk gaan we zelf ook nog wel een tijdje mee.

18 mei 2024

Waarde(n)

Jasmijn vraagt:
Heb jij voor jezelf helder/weleens geconcretiseerd wat jouw belangrijkste 'waarden' in het leven zijn? Zo ja, zijn die veranderd? Hoe/door wat? Waarom zijn ze belangrijk?

Voor de helderheid is het wellicht handig te duiden wat ik onder waarden versta: kortgezegd zijn het de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan hoe ik mijn leven leef, of zou willen leven. Komt dat voldoende overeen met hoe jij je vraag hebt bedoeld?

Ja en nee. Ja, ik heb ze wel helder, en nee, nog nooit echt bewust geconcretiseerd, in de zin van bewust gevormd of vormgegeven, maar ik heb ze me wel degelijk eigen gemaakt in hoe ik mijn leven leef, of tracht te leven.

Er is voor mij een groot verschil duidelijk geworden tussen de waarden waarmee ik ben opgegroeid,  die het eerste deel van mijn leven hebben bepaald, de waarden zoals ik die langzaamaan ben gaan inlijven nadat ik me er bewust(er) van werd dat ik mijn eigen waarden moest gaan ontdekken, om mezelf vrij te maken van de vaak beperkende en niet-passende waarden uit mijn jeugd en jonge jaren. En vervolgens de waarde(n) die overbleven en essentieel bleken nadat ik mijn 'eigen' waarden nog eens goed onder de loep nam.

Volgens mij hoef ik je niet uit te leggen hoe dat zit met aangeleerde en zelf-ontdekte waarden. Dat is een proces van jaren, waarin je aanneemt en voor waar neemt, (het woord waar in waarden is interessant!) ontdekt, onderzoekt, verwerpt of omarmt. De waarden waarmee je opgroeit zijn sterk cultureel bepaald. Althans de interpretatie en de manier waarop je geacht wordt vorm te geven aan die waarden. (Doorgaans worden waarden en normen in één adem genoemd, terwijl ze strikt genomen niet dezelfde betekenis hebben.  Maar vaak lopen die termen een beetje door elkaar en ik beperk me nu op die manier tot het woord waarden.)

Het er op nahouden van bepaalde waarden wil nog niet zeggen dat ik er altijd naar leef. Ook dat is een proces. Waarin ik mezelf enorm kan tegenkomen. Geconfronteerd kan worden met oordelende gedachten over mezelf. Dan ben ik hypocriet, onecht, egoïstisch, ga het rijtje maar af, ik wed dat je ze allemaal wel kent. Dat oordelende, daarvan heb ik geleerd dat het in mijn hoofd zit, niet constructief, en zelfs destructief is, geen enkel doel meer dient nadat je je ervan bewust geworden bent dat het leven naar je eigen waarde(n) een leerproces is waarin je mag vallen en opstaan.
Het sparren met o.m. Paul over dat proces, vooral vanuit ethisch en filosofisch perspectief, heeft me daar erg bij geholpen, en het helpt me nog steeds.

Ik heb het inmiddels over waarde(n) in plaats van waarden. Dat komt omdat ik, al denkend en sparrend met François of mijn filosofisch ingestelde vriendin Judith, steeds opnieuw bedenk dat alle waarden die voor mij van belang zijn, uiteindelijk terug te brengen zijn tot slechts één basiswaarde, die ik 'Liefdes-intentie' zou kunnen noemen. Daarmee maak ik mezelf vrij van de neiging om allerlei cliché-waarden te gaan beschrijven en al te breedvoerig te worden. Onderwijl steeds nadenkend over hoe ik uiteindelijk die brug naar Liefde ga verwoorden. 

Al schrijvend merk ik dat ik in dat opzicht ook nog steeds bijgedachten heb, die voortkomen uit een vage angst dat niet zozeer jij, maar meer mijn lezer of toehoorder in het algemeen, zal vinden dat ik zweverig ben. Maar als ik Liefde wil leven zal ik er ook voor moeten gaan staan, en gelukkig gaat me dat steeds beter af. Heb ik steeds meer het gevoel dat ik recht van spreken heb en dat mijn boodschap voor een ander van waarde (:-)) kan zijn.

Ergens aan het begin van mijn eigen proces rondom die basis-waarde heb ik de keuze gemaakt me bewust te willen verbinden met mensen, omgevingen, dingen, ideeën etc., die Liefde oproepen, aanwakkeren, laten groeien. En me tegelijkertijd bewust niet te willen verbinden met ondermijnende, of negativiteit-bevestigende mensen, dingen etcetera. Een voorbeeld van hoe ik dat vorm probeerde te geven is dat ik gestopt ben met kranten lezen of naar nieuwsuitzendingen kijken. Ik heb mezelf beloofd dat ik dat ga hervatten zodra ik daar 50% positief en 50% negatief nieuws kan vinden. 

Een menselijk trekje, dat ik nog steeds niet echt begrijp, of kan duiden, is dat we blijkbaar aangetrokken worden tot slecht nieuws, drama, ellende en chaos. Misschien omdat we ons dan iets beter voelen over ons eigen drama? En ons vervolgens weer slechter voelen over dat de wereld toch wel erg verrot is en we met z'n allen ten onder gaan aan onze stupiditeit, egocentrisme, narcisme enzovoorts. Ik geloof niet in het beeld van die verrotte wereld dat de nieuwsmedia ons voorschotelen. Volgens mij is er een prima balans tussen positieve en negatieve ontwikkelingen, maar daar moet je aanvankelijk goed naar zoeken. De meeste mensen deugen. Aandacht investeren in wat of wie niet deugt is voor mij voeden van wat ik juist niet wil voeden. En wat er zoal gaande is in de wereld krijg ik ook zonder kranten of TV wel mee

Ik kan die (zelf-)Liefde echt niet altijd, of non-stop voelen, maar het heeft me geholpen om te leren voelen wáár in mijn lijf ik Liefde kan voelen. Simpel, door naar binnen te gaan, in mijn hoofd en met mijn gevoel te focussen op iets of iemand waar ik héél veel van hou, en dan op te letten op welke plek in mijn lichaam een sensatie waarneembaar is. Een kriebel, een warmte, whatever. En als ik me met Liefde wil verbinden in lastige situaties waarin ik dat niet goed, of niet vanzelfsprekend kan,  dan probeer ik dat fysieke gevoel te triggeren, op te roepen. Dat gaat steeds makkelijker naarmate ik er meer vertrouwd mee ben geraakt. En dan nog zijn er momenten waarop ik helemaal kan inkakken, zwelgen in negativiteit en een weerstand voel om me überhaupt nog met positiviteit te willen verbinden. Dat voelt soms 'chemisch', als iets in mijn hoofd waartegen ik geen weerstand denk te hebben en geen invloed op uit kan oefenen. Misschien kan dat op dat moment ook niet, maar ik kan wel de negatieve gedachten die dan ik formuleer blijven bewaken en dáár zo goed mogelijk nee tegen zeggen. Afleiding helpt haast altijd, maar ik neig er in die moods ook toe het zoeken van afleiding uit te stellen. 

Hoe dan ook, inmiddels is het gelukkig meestal zo dat het vaker 'off-days' dan 'off-weeks' of langere periodes zijn, voordat ik mezelf weer kan ervaren als een best leuk, positief ingesteld en inmiddels ook wijs mens. Het mezelf toestaan te geloven dat ik niet altijd jubelend door het leven hoef te gaan, dat ik mag terugleunen in 'off-moods' maakt dat er meer zelf-acceptatie en zelf-Liefde groeit, en dat helpt allemaal mee om steeds vanzelfsprekender intentioneel te leven naar wat ik primair zo essentieel vind. 

Ik wil Liefde ZIJN, dat is de richting waarin ik mijn neus bewust heb gezet. Niet meer (en niet minder) dan dat. En ik wens dat dat uitstraalt naar mijn omgeving. Dat die rimpeling, veroorzaakt door de steen die ik ongezien in het water gooi, mag reiken tot in de verste uithoeken van alle universa, en daar voorbij. 

Liefs,

Mieke

(De foto's heeft Mieke gemaakt in het Vigelandpark in Oslo.)

12 mei 2024

Eilandverhalen 1

De afgelopen weken verbleven we op een klein eilandje in Zuid Thailand. De laptop was thuisgebleven, en de blogs werden ouderwets met de pen in het notitieboek geschreven. Het zijn lekker korte verhaaltjes geworden, dus vandaag zetten maar meteen de eerste vier online. Dan valt er weer wat te lezen na een blogloze maand.


Bloot op het balkon

En dan zitten we ineens in Krabi. 1500 kilometer van huis. Indie en Ryker, een koppel Nieuw-Zeelanders, wilden wel eens een maandje in het hete Lampang wonen. Acht maanden geleden waren ze in Hua Hin neergestreken maar dat vonden ze toch te druk en toeristisch. Nu reageerden ze op een oproep van ons voor mensen die wel eens een paar dagen of weken op ons huis en beestenspul wilden passen. En zo konden we zomaar in de warmste tijd met de meeste smog weg.

Nu zitten we dus in Krabi, in een stikdonkere hotelkamer. Een kwartiertje geleden liepen we in een supermarktje toen de stroom uitviel. Gelukkig konden we nog afrekenen, en op de terugweg naar ons hotel een paar drumsticks scoren op de markt. Met het licht van onze telefoons weten we onze kamer terug te vinden. Daar is het echt niet te harden van de hitte. De airco is natuurlijk ook utgevallen, en in zo'n betonnen gebouw wordt het dan meteen een oven, zelfs als de zon al onder is. De kleren gaan uit, maar het zweet loopt niettemin in stralen over ons lijf. Douchen dan maar? Helaas, de pomp die voor de waterdruk zorgt werkt niet zonder electriciteit.

Op het piepkleine balkonnetje blijkt het wat beter uit te houden. Er staat een beetje wind. Er staat één krukje, maar met de nodige moeite lukt het om er een stoel uit de kamer bij te wurmen. In het donker eten we ons geïmproviseerde diner.

 

Dan floepen overal de lichten weer aan. Haastig struikelen we over de extra stoel naar binnen. Ik sla een lungi om, zodat ik die stoel weer binnen kan zetten zonder dat de buren gaan klagen.

Morgenvroeg reizen we verder naar Koh Jum, een klein eilandje dicht bij Krabi. En daar blijven we een hele maand.



2 planken

We nemen de bus naar de haven. Nou ja, bus. Het is een door heel Thailand voorkomende vorm van openbaar vervoer die song taew genoemd wordt. Twee planken, betekent dat. Een song teaw is een pickupje, waarvan de laadbak is overdekt en voorzien van twee houten planken die elk plaats bieden aan vijf mensen. Eventueel kunnen er ook nog mensen op de bodem zitten, of achter op de treeplank staan. Behalve mensen neemt de song taew alles mee wat past, en dat is meer dan je je kunt voorstellen. Grote zakken rijst, gasflessen, een brommer, het doet er niet toe.

 

Song taews rijden een min of meer vaste route, waarbij ze een paar vaste stopplaatsen hebben, maar ze stoppen ook als iemand ze aanhoudt. En als een passagier op het stopknopje drukt (als dat er in zit) of op het ruitje van de cabine tikt. De uitgestapte passagier loopt naar voren en rekent contant of met de telefoon af met de chauffeur.

'Onze' song taew rijdt van Krabi naar Laem Kruad waar de longtailboten naar Koh Jum aanleggen. Heel lang waren die longtailboten de enige verbinding met het eiland, maar sinds kort is er een betonnen pier, waardoor er een grotere, snellere veerboot kan aanleggen. Maar wij houden niet zo van grote, snelle veerboten.

Halverwege Krabi en Laem Kruad stopt de song taew bij een markt. Een vrouw stapt uit, maar de auto blijft staan. Na een paar minuten komt de vrouw terug. Ze heeft wat etenswaren gekocht. Voordat we vertrokken uit Krabi heeft ze de chauffeur gevraagd even bij de markt te stoppen en te wachten. In Thailand vndt een chauffeur dat geen probleem. En de andere passagiers evenmin.


De boot vervoert behalve passagiers ook allerlei voorraad voor het eiland. We hoeven geen kaartje te kopen. Bij aankomst op Koh Jum lopen de mensen naar een loketje om te betalen. Het is niet moeilijk om gewoon door te lopen, maar dat doen ze hier niet.



Het bestaat nog

Op een rustig zandstrandje zitten we te eten met vriendin Maggi, die ons ooit de kneepjes van het bouwen met rijstkaf en klei heeft geleerd en tegenwoordig de ergste smogmaanden uit haar woonplaats Chiang Dao ontvlucht. Zij zette ons ook op het spoor van dit (nu nog) weinig toeristische eilandje.

Een meisje van een jaar of tien huppelt door het zand. Ze doet een dansje met haar handen sierlijk zwaaiend door de lucht. Dan loopt ze naar de vloedlijn en staart een tijdje over de zee. Ze loopt een stukje terug en gaat in het zand zitten. Ze speelt wat met het zand, dat ze oppakt en dan weer uit haar handen laat lopen. Maar steeds meer wordt haar aandacht getrokken door de ondergaande zon. In gedachten verzonken blijft ze er naar kijken.


Het is al even donker als ze er nog steeds zit en een vrouw, (haar moeder?) naast haar komt zitten. Samen kijken ze zwijgend naar waar de zon niet meer staat.

De vrouw staat op en loopt weer naar het restaurantje. Het meisje blijft nog een kwartiertje zitten. Dan staat ze op, doet weer haar dansje en huppelt weg. Ik realiseer me dat ik van iets unieks getuige ben geeweest. Een meisje dat zichzelf ruim een uur bezighoudt zonder mobieltje. Het bestaat nog.



Hobbelpaard

Overal op het eiland staan ze: bordjes die wijzen naar Mr. Boy café. Daar fietsen we dus ook maar eens heen. Het ligt in een hoek van het eiland waar we nog niet geweest zijn, naast de pier waar de grote, snelle veerboot aanlegt. Het café is gebouwd op een boven het water liggende steiger, een aantrekkelijke plek.


De man waarvan we vermoeden dat het Mr. Boy is, hoewel hij ook heel goed Mrs. Boy of Mr. Girl zou kunnen zijn, heet ons hartelijk welkom en vraagt of we het naar de zin hebben op Koh Jum. Als we verder naar achteren lopen om een tafeltje te kiezen, worden we al even hartelijk begroet door, naar we denken, de oma van Mr. Boy.

We bestellen wat typisch Thaise gerechten, uiteraard met een visje. Dat kan op zo'n plek haast niet anders. Als we klaar zijn met eten kijken we nog eens op ons gemak de zaak rond. Een jongen van een jaar of achttien (brother Boy, son Boy?) amuseert zich op een houten hobbelpaard. Oma Boy zit op haar knieën op de grond en aan haar bewegingen kunnen we zien dat ze iemand aan het masseren is. De gemasseerde ligt achter een bankje op de grond. We zien alleen twee voeten uitsteken.

We willen het tafereeltje niet verstoren, maar het siëstabed in ons gastenhuisje lonkt ook. Dus roep ik "Kor keb taang kap", de rekening graag. In Thailand is het heel gewoon om dat richting bediening te roepen. Vanaf het hobbelpaard wordt mijn verzoek nog even herhaald. Oma Boy gaat rechtop zitten, de twee voeten verdwijnen en even later rijst Mr. Boy op achter het bankje. Hij kijkt alsof hij uit een diepe slaap komt.

Nadat we betaald hebben bedankt de hele familie Boy ons, wenst ons een fijne dag en hoopt ons snel weer te zien. Die kans zit er best in.