24 maart 2017

Faits divers

We zijn weer eens even in Pai geweest. Vroeger the place to be voor hippies; tegenwoordig ook weer voor de nieuwe generatie hippies, dus de guesthouses hebben nu wifi en zwembad. Daarnaast lopen er veel Chinese toeristen rond. De sfeer is erg relaxed; als je ooit naar Thailand komt moet je Pai zeker niet overslaan, maar na een paar dagen is het wel weer genoeg.

Tibbe ontpopte zich als de grote bezienswaardigheid en siert inmiddels menig facebookpagina en vakantie-blog.


Tussen de vele restaurantjes zit er af en toe een met onbegrijpelijke reclame-uitingen buiten. Wij durfden hier in ieder geval niet naar binnen.


In het kader van "probeer eens iets nieuws" hadden we al de insecten gehad en nog wat ander spul dat we totnutoe niet thuis hebben kunnen brengen. We kunnen daar nu de Salak aan toevoegen. Salak betekent slangenvrucht. De naam verwijst naar de schil, die aan de huid van sommige slangen doet denken. Het is een beetje een stekelige schil, qua hardheid vergelijkbaar met die van een lychee. De smaak is friszuur, doet wat aan ananas denken, maar is ook wat gefermenteerd. Niet onaardig. Volgens de informatie die we konden vinden is er nogal wat kwaliteitsverschil en geldt "hoe witter de vrucht, hoe beter". Waarschijnlijk hadden wij de minste kwaliteit. Volgende keer een wittere vrucht proberen te krijgen. Probleem is alleen dat je dat pas ziet als je 'm pelt.


Vanochtend tuimelde er iets uit de rommelberg onder ons huis. Het leek nog het meest op een of andere dierendrol, maar terwijl ik er naar keek sprong het ineens op. Dat doen drollen normaal gesproken niet, dus het moest wat anders wezen. Gelukkig bleek het een tamelijk lui wezentje, dus we konden het op ons gemak fotograferen en bekijken. Uiteindelijk bleken we te maken te hebben met een Indische Stierkikker (Kaloula Pulchra).


Mieke is meteen vriendjes geworden, hoewel ze niet al te close zal worden aangezien Kaloula giftige stoffen uitscheidt. Maar hij of zij verslond wel voor onze ogen een spin. Kijk, dán maak je indruk.


In Chiang Dao was het gisteren en vandaag feest. Wat voor feest was ons niet duidelijk, maar we houden het op Poi Sang Long (Dankjewel, Carin). Iedereen op zijn paasbest, en een soortement kermis. Daar bleek overigens hoe riskant het beroep van schiettentexploitant is.


Het hele leven is trouwens riskant. Hel en verdoemenis zijn niet exclusief voor Christenen weggelegd. Ook Boeddhisten wacht weinig goeds als ze zich tijdens het, ehhh, dit leven niet goed gedragen. In de voorstellingen van hun lot zijn ze hier toch wel wat expliciter dan wij gewend zijn.



We doen dus ook hier maar ons best om ons naar eer en geweten te gedragen. Oja, en omdat het vandaag feest is, zal ik toch maar eindigen met wat feestelijker plaatjes.












20 maart 2017

Smog

Grote bosbranden in Myanmar, kleinere in de bergen in de buurt, industrie in China, warme droge lucht: Noord-Thailand krijgt al die omstandigheden op zijn dak en het gevolg is smog. De verhalen daarover hadden we al wel vaker gehoord, maar wat je je er precies bij voor moet stellen is lastiger. Ik heb vanmorgen twee foto's gemaakt en deze naast foto's van een maand geleden gezet. Daar valt weinig aan toe te voegen. Doi Chiang Dao is nog redelijk zichtbaar, maar die ligt dan ook meteen achter ons huis. De bergrug aan de andere kant van het dal is al helemaal uit het zicht verdwenen.


Zo nu en dan steken er ineens flinke windvlagen op. Zeg maar in de orde die in Nederland code geel zou verdienen. Dan waait de smog even weg en is het zicht weer helder. Zojuist begon het weer. De deuren beginnen te klapperen, ondanks de zware gewichten die ze op hun plaats moeten houden. Het loeit rondom het huis. En de temperatuur loopt in een paar minuten op naar 31 graden (Mieke was net naar binnen gegaan omdat het zo afgekoeld was buiten). De wind voelt echt als een föhn.

De bergrug komt weer in zicht, maar dat belooft voorlopig weinig goeds: er staan nog steeds veel stukken in brand. Die branden zijn niet allemaal het gevolg van onvoorzichtig afbranden door boeren. De meeste branden woeden op een hoogte waar geen sterveling komt en zijn dus min of meer spontaan ontstaan. "Onze" berg komt waarschijnlijk ook aan de beurt. Dat is althans bijna ieder jaar het geval. Van Doi Luang, de andere grote berg hier, vanuit ons huis gezien meteen achter Doi Chiang Dao, stijgen al op diverse plaatsen rookpluimen op. Centrum Amsterdam kon wel eens gezonder wonen zijn dan Doi Chiang Dao.

Smog kan soms wel voor spectaculaire zonsopkomsten zorgen. Dat heb je in centrum Amsterdam dan weer niet. 


14 maart 2017

Geluiden

Veel van de geluiden hier zijn weliswaar in Nederland onbekend, maar kennen wij inmiddels wel van eerdere bezoeken aan Thailand. De smakjes van de tjiktjak, het toekeh van de toekeh, het gebabbel van mayna en bulbul, de karaoke van de buren, de brommertjes: ze hebben alle wat bekends.
Er zijn echter ook geluiden die lastiger thuis te brengen zijn. Zo klinkt er in de nachtelijke uren soms een soort geploink, alsof er op een hoogspanningsleiding geslagen wordt met een metalen staaf. Mieke associeert het geluid ook met het slaan met een stok op het ijs; mij doet het ook denken aan springveren of strak elastiek. De afgelopen nachten werd het geluid steeds frequenter.
Googlen met allerlei creatieve zoekopdrachten leverde niks op. Omdat het zo'n staccato geluid is dachten wij aan een gecko-achtig dier. Maar vandaag had Mieke dan toch beet. Het is de Maleisische nachtzwaluw ( https://youtu.be/75UEx20lX4w) die ons al die tijd heeft beziggehouden. Geen gecko dus, maar een vogel. Hij doet zijn naam eer aan, dus de kans dat we hem ook een keer zien is heel klein.
Nu moeten we nog zien uit te vinden welke vogel ons iedere ochtend tracteert op een kort concertje. Hij zingt als een kanarie, maar dan met wat zwaardere stem. Baritonkanarie hebben we hem daarom maar gedoopt. Zijn concert duurt hooguit 5 minuten en hij zit ergens op de berg, maar waar, dat weten we niet. Wordt hopelijk vervolgd.

11 maart 2017

Erop of eronder

Vanaf de veranda kijken we naar links tegen de berg, en recht vooruit en naar rechts over het dal waar het dorp in ligt. Op de berg meteen hier tegenover ligt een soort kamphuis, waar bergbeklimmers hun tocht starten en waar soms feestjes zijn met een niet heel zuiver zingende zanger. Op de berg daarachter ligt een stupa. Dat is een Boeddhistisch bouwwerk, waarvan elk dorp er wel minimaal een heeft. Zoiets als de kapelletjes in Brabant, maar dan veel groter. 

We hebben mooi uitzicht op de stupa met de goudkleurige kegel. Maar vorige week begon dat ineens te veranderen. Werklui begonnen op de helling net boven het kamp een vloertje te storten, en daarna met grote grijze blokken muurtjes te metselen. De vierkante basis van de stupa verdween al snel uit zicht, en ook de onderkant van het gouden deel kwam achter het betongrijs van de muurtjes te liggen. Je weet dat in Thailand zoiets makkelijk kan. Als je zelf iets wilt bouwen ga je dat ook gewoon doen. Maar leuk vonden we het niet.

Na 2 dagen stopte het metselen. Ook dat kan hier makkelijk. Als je geld hebt koop je stenen en huur je metselaars in. Is het geld op, dan ligt het werk stil tot er weer geld is. We konden dus nog even genieten van ons uitzicht, als we de halve muurtjes voor lief namen.

Een paar dagen geleden was de stupa ineens weer volledig in beeld. De muurtjes waren weg. Zo te zien waren ze met geweld omver geduwd of geslagen. Was de opdrachtgever ontevreden en moet het werk over? Was er een andere buurman die de stupa wilde zien en radicale maatregelen heeft genomen? Moest het bouwwerk misschien toch op een andere plaats komen? Het is ons totaal onduidelijk waarom er begonnen is aan een bouwsel dat vervolgens weer omgegooid wordt. Maar erg vinden we het natuurlijk niet. 

Intussen is er een ruimte gemetseld tegen het kamphuis aan, en gisteren liepen er mannen te sjouwen met stenen van het omgegooide muurtje. Die werden naar het kamphuis gedragen, waar het nieuw gemetselde muurtje echter al helemaal klaar lijkt. De logica achter dit alles blijft voor ons ondoorgrondelijk. Waarschijnlijk snappen de Thai niet dat we er zo nodig iets logisch in moeten zien. Gewoon laten gebeuren wat er gebeurt, dat is pas logisch.

Maar ik ben een beetje afgedwaald van de titel van dit verhaal. Dat het gisterennacht voor het eerst erop of eronder was, heeft namelijk niets met die muurtjes te maken, maar alles met de temperatuur. Toen we hier aankwamen daalde die 's nachts tot een ijselijke 11 graden. De laatste week werd dat al wat meer, maar was een vest in de ochtend geen overbodig kledingstuk. Gisterenavond stond er op de berg een vrij stevige warme wind, een soort van föhn. En gisterennacht bleef het daardoor voor het eerst een stuk boven de 20 graden, waardoor het eigenlijk te warm was om onder, en te koud om bovenop het dekbed te liggen. Het werd een afwisseling van erop, half eronder en helemaal eronder. 

Voordeel was wel dat de ramen lekker helemaal open konden. We hadden met Carin en Christine gegeten in een leuk eettentje in the middle of nowhere. De uitstekend Engels sprekende uitbaatster was er helaas niet, zodat we op goed geluk wat op de kaart hebben aangewezen. Dat bleken allemaal salades te zijn. We zijn al dusdanig ingeburgerd hier, dat we niet op het idee kwamen dat op een Thaise menukaart alle salades bij elkaar op één pagina zouden kunnen staan. Zoiets systematisch is erg ongebruikelijk. Een van de gerechten bleek “1000 jaar oud ei” te zijn. Dat is een Chinese delicatesse die gemaakt wordt door een eendenei circa 100 dagen te bewaren in een mengsel van houtskool en ongebluste kalk. Het heeft een groenige kleur, een zoute smaak en een krachtig aroma. Bij het kauwen lijkt het alsof je een stukje geleipudding eet. We hadden het totnutoe bij bezoeken aan Thailand beleefd weten te vermijden, maar nu het dan toch een keer voor ons op tafel stond hebben we maar toegehapt. En hoewel het idee nog altijd wat afstotelijk is, is het gewoon best een lekker gerecht.
Maar goed, het was dus wel fijn dat de ramen open konden, want vooral in de periodes van “erop” konden de naweeën van de duizenjarige eieren vlotjes de kamer verlaten.

Gisteren hadden we ook weer zo'n mooie eetplek, zoals dat alleen maar in Thailand kan. Een restaurantje waar je met je gezelschap op een vlot stapt. Nadat de bestelling is opgenomen duw je met lange bamboepalen het vlot het meer op. Na een tijdje komt de ober per waterfiets het eten afleveren. Wil je nog wat bijbestellen, dan bel je even op en komt de waterfiets weer langs. En tussendoor kan je lekker even afkoelen door je van het vlot af te laten vallen. 




De aanwezigheid van Carin en Christine hebben we meteen maar aangegrepen om dé toeristische trekpleister van ons dorp, de grot, te bezoeken. Tham Chiang Dao is een van de grootste grotten van Thailand. Met een gids kan je er kilometers ver in, maar wij vonden het verlichte pad tot aan de declining Boeddha wel ver genoeg. Bij thuiskomst hing er een zakje met een papaja aan het hek. En tijdens de siësta werden we gewekt door een vrouw, vermoedelijk dezelfde die eerder al papajas had gebracht, die 3 flinke kammen bananen kwam afgeven. We wilden haar er wat voor geven, maar dat werd resoluut geweigerd. Er wordt hier goed voor ons gezorgd. Hopelijk verwachten ze niet dat we die 50 bananen in een weekendje soldaat maken.  

En 11 maart moet er natuurlijk wel een bloemetje op de veranda staan.


02 maart 2017

Papaja's en pleepapier

Papaja's...


Het is hier op de weg een drukte van belang. Althans, vergeleken bij de Touwbaan in Maashees. Op de berghellingen hebben allerlei mensen stukjes land waarop van alles verbouwd wordt, en waar ze dus met enige regelmaat heen moeten. Gemiddeld komt er denk ik wel twee keer per uur een brommertje voorbij. In de spits verdubbelt dat aantal zelfs. En dan is er natuurlijk nog onze monnik, die verderop op de berg woont en om half 7 's morgens naar beneden loopt en een halfuurtje later weer terug naar boven.



Iedereen die langs komt knikken we allervriendelijkst goeiedag, en altijd krijgen we een brede glimlach terug, vergezeld van een brommerwai. Een gewone wai, waarbij je je handen tegen elkaar aan doet en buigt, dat is wat link op een brommer, dus wordt volstaan met een nadrukkelijke knik met het hoofd. Zwaaien, daar doen ze hier namelijk niet aan.

Vanmorgen stopte er een brommertje. Meestal betekent dat dat de huisbaas even wat in de tuin komt doen, dus ik toverde snel mijn tamelijk zomerse outfit om tot een voor Thai acceptabele. Het bleek echter niet de huisbaas te zijn, maar een van de vrouwen die regelmatig langsrijden. Dat laatste weet ik niet helemaal zeker, want ze was, zoals veel Thai, helemaal ingepakt, met alleen een gaatje rond mond en ogen. Dat heeft niks met geloof of levensovertuiging te maken, maar is gewoon bescherming bij het de hele dag in de brandende zon werken.
“Hello” zei ze. “Papaja, papaja, you.” Ze gaf me twee vers geplukte, heerlijk rijpe papaya's, lachte uitbundig, zei nog een keer “papaja, you, eat”, stapte, terwijl ik een Thais dankjewel waide, op haar brommertje en vervolgde haar weg naar beneden. Ik bleef wat overdonderd staan: hoe kan ik haar nou bedanken, en hoe kon ik haar de volgende keer herkennen in zo'n bankoverval-outfit?



Wat een heerlijke ervaring, wat een gastvrijheid. Mensen maken zich soms zorgen of het wel veilig is, zo in een onbekend land en op een afgelegen plek. Zo voelt het in ieder geval niet en de ervaring van vanmorgen past prima in het plaatje dat zich tot nu toe heeft ontvouwd.

De eerste papaja hebben we meteen bij de lunch soldaat gemaakt. Hij smaakte naar meer, dus met die tweede komt het ook wel goed.

...en pleepapier


Dan nog even iets heel anders: de stoelgang. Normaal gesproken geen onderwerp voor verhalen, maar ik moet het er echt even over hebben. Nee, het gaat niet over onmogelijke hurktoiletten ofzo; ook hier in Thailand kun je op de meeste toiletten gewoon zitten. Wat wel opletten is, is het toilet in ons huisje. Je loopt hier namelijk het risico verschrikkelijk je billen te branden. Misschien denk je nu dat dat door het spicy eten komt, maar het zit anders.

Thailand heeft ten opzichte van Nederland een enorme voorsprong als het gaat om toilethygiëne.
Het systeem zal ongetwijfeld een wat sjiekere naam hebben, maar wij noemen het de kontspoelkraan. Een minidouchekop met knijpertje hangt hier naast iedere pot. Als je klaar bent sproei je de boel gewoon effe schoon. (Is het heel hardnekkig, dan assisteer je met je linkerhand. Om die reden vinden Thai het ook erg smerig als ze zien dat je met je linkerhand eet, of dat je iemand met je linkerhand aanraakt.) Met een toiletpapiertje dep je alles droog en dan was je natuurlijk wel even je linkerhand met zeep. Als je eraan gewend bent wil je niet anders meer. Bijkomend voordeel: de rol die we uit Nederland meenamen is nog niet voor de helft op.



Oja, en de Thaise riolering is mede hierom niet ingericht op papier. Toiletpapier moet hier dus in het prullenbakje dat je op iedere wc vindt.

Maar goed, hoe zit het nou met dat billen branden? Ons water komt hier uit grote betonnen opslagtanks. Van daar loopt de leiding gewoon over de grond naar het huisje. Vriezen doet het hier niet, en graven in de rotsen is geen pretje, dus is dat bovengrondse geen probleem. Totdat je je billen wilt gaan spoelen nadat de zon een paar uur op de leiding heeft staan branden. Je voelt hem al aankomen, denk ik. Ik niet, althans, de eerste keer niet.

Overigens realiseer ik me, zo schrijvend, dat het misschien maar goed is dat we dit systeem in Maashees niet hadden. Daar kwam het water weliswaar door de grond aan, maar zo'n kledder van net boven het vriespunt is ook niet echt aantrekkelijk.