Op mijn fiets rij ik naar Lampang stad, zo'n 17 kilometer verderop, voor wat boodschappen die ik in Hang Chat, dat veel dichterbij ligt, niet kan krijgen. Waar ik overdag rundum hause alleen een lungi en slippers draag, omdat het nou eenmaal vrijwel altijd te warm is voor meer, draag ik nu een lange broek, sokken in mijn sandalen, een shirt met lange mouwen en een capuchon, die ik opgezet heb voordat ik mijn helm eroverheen op mijn hoofd heb gezet. Niet omdat het zo koud is, maar als bescherming tegen de zon, die in deze tijd van het jaar al zowat recht boven ons staat, en temperaturen produceert waarbij je eigenlijk niet zou moeten fietsen.
Twee weken geleden zou ik er niet over piekeren om de fiets te pakken als er een temperatuur van 34 graden en een hoge smogwaarde voorspeld zijn. Hooguit had ik er even als mogelijkheid aan gedacht, om daarna mezelf te vertellen dat zo'n inspanning in die warmte en smog erg ongezond is, zeker op mijn leeftijd. Het is verrassend hoe snel je je levensstijl aan kunt passen aan plotseling veranderende omstandigheden. En niet alleen verrassend; het is ook beschamend, als je je realiseert dat je die aangepaste levensstijl eigenlijk al jaren had moeten leven. En het is confronterend als je beseft dat je onder druk van buitenaf plotseling blijkt te kunnen, wat je uit "vrije" wil nooit is gelukt.
Vroeger wist ik het wel. Auto's zijn schadelijk. Ze stinken en veroorzaken fatale ongelukken. In de aanloop naar de autoloze zondagen in de jaren 70, werd ik om 7 uur 's morgens (extreem vroeg voor een puber) gebeld door "AVRO's Radio Journaal", om een toelichting te geven op mijn oproep om massaal de vlag uit te hangen. Mijn 15 minutes of fame had ik al jong verbruikt. Toen ik later een baan kreeg op het rode bolwerk De Paasheuvel in Vierhouten, een dorp zonder veel voorzieningen waar 3 keer per dag een bus stopte, kwam er uiteindelijk toch een Renault-4tje. En dan ga je eraan wennen, komen er kinderen, moet je voor je werk op pad en sneeuwen je bezwaren, waarvan je weet dat ze hout snijden, langzaam onder.
Wat dat betreft waren mijn vader en mijn jongste broer veel principiëler. Mijn vader stapte voor geen goud in een auto en ging zelfs als hij voor zijn werk vanuit Den Haag naar Groningen of de Achterhoek moest op de fiets. Dat werd indertijd nog niet fiscaal gestimuleerd; hij kreeg 2 cent reiskostenvergoeding per kilometer, terwijl automobilisten er 11 kregen. Voor mijn broer was een autoritje een zeldzaamheid. Hij was betrokken bij de oprichting en een aantal jaren voorzitter van de ENWB (die onder kinderachtige juridische druk van de ANWB de naam wijzigde in Fietsersbond). Hij overleed veel te jong en werd in een kist op een speciale aanhanger achter een fiets, begeleid door ruim honderd andere fietsers, naar zijn laatste rustplaats in Den Haag gereden.
Maar goed, laat ik mijn omweg niet al te lang maken en terugkeren naar het onderwerp. Dat ik nu toch de fiets gepakt heb, heeft niets te maken met plotselinge verlichting, of een revival van oude ideeën die weliswaar op kan treden op latere leeftijd, maar dan meestal toch niet al op je 70e. Nee, de reden is tamelijk banaal: er is een brandstofcrisis. Ik schreef er in mijn vorige blog al wat over. En een brandstofcrisis hier in Thailand betekent niet dat het allemaal wat duurder wordt, maar dat het gewoon op is. Waar dat toe leidt kan ik onderweg mooi zien. Een rij van honderden meters voor een gesloten tankstation. Hier en daar een opening, waarschijnlijk omdat de automobilist nog wat brandstof heeft en het ergens anders gaat proberen. Een aantal auto's verlaten; de eigenaren willen hun plek in de rij niet kwijtraken en hopen via de tamtam te horen wanneer er weer brandstof geleverd wordt.
Hoewel onze tank nog bijna vol zit, beseffen we goed dat die snel leeg kan zijn als we in ons normale ritme doorrijden. Er staan op korte termijn twee afspraken in Chiang Mai in de agenda, waarmee we de helft van de tankinhoud er al doorheen zouden jagen. En hoe lang het duren gaat durft niemand te voorspellen. Dus rantsoeneren we onszelf maar op maximaal één ritje naar Lampang per week, waar we dan vrienden ontmoeten combineren met het inslaan van boodschappen voor een week. Daarmee zouden we het een maand of 5 moeten redden en daarna is de temperatuur normaal gesproken wat meer fietsvriendelijk. Maar ook dat is tegenwoordig allerminst zeker meer.
Mijn fietsritje naar Lampang maakt me overigens wel duidelijk dat de smoesjes die ik totnutoe verzon om toch maar de auto te kunnen pakken, best een kern van waarheid bevatten. 34 kilometer fietsen bij evenzovele graden, dat gaat me minder makkelijk af dan toen ik 20 was. Maar wat misschien nog wel meer van invloed is, is dat de smog onverwacht naar torenhoge waardes is gestegen. De afgelopen weken waren we telkens weer aangenaam verrast door de redelijke smogwaardes en doordat we vrijwel iedere dag de bergen konden zien. Normaal gesproken zijn die in deze tijd van het jaar al een aantal weken verstopt in de smog. Maar nu wordt een luchtkwaliteitsindex van 100 regelmatig gehaald en piekte die vandaag zelfs even net boven de 500.
Daarmee krijgt het auto-of-fietsdilemma een extra dimensie. Fietsen is gezond. Maar lang buiten zijn, zeker als je inspanningen pleegt, is ongezond. Dus moeten we het buiten zijn beperken en binnen blijven met een luchtzuiveraar aan (die stroom verbruikt en zo bijdraagt aan de smog). En áls we dan naar buiten moeten, dan zo kort mogelijk. Met de auto dus. Maar dat is in tegenstelling tot fietsen niet gezond. Het draagt ook heel erg bij aan de smog én verbruikt brandstof die we later misschien harder nodig hebben. Toch maar fietsen dus, maar niet meer naar Lampang. Naar Hang Chat op en neer is prima te doen voordat het te heet wordt.
Natuurlijk zijn het allemaal luxeproblemen waar we nu tegenaan lopen. De mensen uit het dorpje gaan misschien maar 1 of 2 keer per jaar naar Lampang. Als ze al een auto hebben, tanken ze die niet iedere keer vol, maar doen er voor een paar euro brandstof in. Het zijn de mensen die hun auto in de rij voor het tankstation hebben moeten laten staan, in de hoop een dezer dagen toch een beetje brandstof te kunnen krijgen. Mensen die voor hun werk van hun auto afhankelijk zijn. Die geen luchtzuiveraar hebben. Die vaak ook nog eens verantwoordelijk worden gehouden voor de smog, bijvoorbeeld door de smogtijd aan te duiden als "burning season", waarmee voorbijgegaan wordt aan de bijdrage die verkeer, luchtvaart, industrie en westerse overconsumptie aan het probleem leveren.
Eigenlijk vinden we het helemaal niet zo verkeerd om met deze situatie geconfronteerd te worden. Het drukt ons weer eens met de neus op de feiten dat het leventje dat we hier leiden door onszelf, en door mensen die hier op bezoek komen, beschouwd wordt als eenvoudig, maar dat we intussen zonder problemen gebruik kunnen maken van allerlei gemakken die voor een groot deel van de wereld helemaal niet vanzelfsprekend zijn. Ineens moeten we ons dingen ontzeggen waar we totnutoe nooit over hoefden na te denken. Dan blijkt zo maar dat dat het relaxte leventje dat we hier leiden op geen enkele manier in de weg staat. En dan beseffen we hoe genant of het is dat we een wereldwijde crisis nodig hebben om daar achter te komen. Nouja, beter laat dan nooit.





























