08 oktober 2020

Amandava flavidiventris the movie

 Dit hoort nog bij de blog van gisteren. Als het filmpje niet zichtbaar is kun je het bekijken op youtube (https://youtu.be/CLq2m8RN7gY)





07 oktober 2020

Amandava flavidiventris

Het is zondag, 3 uur 's nachts. Mieke schuifelt zachtjes het bed uit, maar ik word toch een beetje wakker van de rits van de klamboe, die altijd associaties oproept met de tenten en slaapzakken van vroeger, en van het lichtje van haar telefoon. Als ze buiten langs de ramen loopt maken de veren die de metalen rasters in de kozijnen vormen vreemde bewegende schaduwen op de klamboe. Ze knipt een lampje aan op de veranda en even later hoor ik de geiser aanslaan. Mieke heeft warm water toegevoegd aan wat opfokvoer. Met haar tong voelt ze of de temperatuur goed is. 

Vrijdagmiddag

Dan verdwijnt haar hand in een mandje en komt er weer uit met een piepklein vogeltje. Het is een een paar dagen geleden uit het ei gekropen amandava flavidiventris, munya in het Engels en in Nederland ook bekend als tijgervink. Het nestje zat in een boom achter het huis, en iedere keer als we daar onderdoor liepen fladderden pa en ma munya er snel vandoor. Maar sinds vrijdagochtend doen ze dat niet meer. Dat is verdacht, want munya's worden niet zo gemakkelijk tam. Veel andere vogels, zoals de zebraduifjes, raken niet meer onder de indruk van onze nabijheid, maar de munya's vliegen altijd op als we in de buurt komen. Nu ze dat niet meer doen groeit het vermoeden dat de ouders er niet meer zijn.

Het munya-nest. De opening is groter gemaakt om erin te kunnen kijken.

Dat laatste is geenszins denkbeeldig, want de rijstboeren houden niet zo van de vogeltjes. Munya's zijn namelijk dol op rijst. (Wij noemen ze ook altijd rijstvogeltjes.) Op allerlei manieren proberen de boeren ze te verjagen. Met vuurwerk, door met een stok op de golfplaten wand van een schuurtje te slaan, met vogelverschrikkers en, als meest rigoureuze methode, met de katapult. Als vrijdag tegen de avond de munya-ouders nog steeds afwezig lijken, is het tijd het nest te inspecteren. Het munya-nest is een mooi stukje techniek, bolvormig met een klein gaatje als ingang. Als ze aan het nestelen zijn zien we ze naar het lange gras bij de vijver vliegen. Daar knippen ze een lange spriet af met hun snavel en daarmee vliegen ze naar de bouwplaats. Toen we dat voor het eerst zagen leek het alsof er een vogeltje met een hele lange staart voorbijkwam. 

Volwassen munya's


Mieke's vermoeden wordt bewaarheid: in het nest zitten 3 munya-jongen, waarvan er eentje dood is. De andere twee hebben een lege krop. Het opfokvoer dat we nog hebben staan claimt geschikt te zijn voor alle vogels, dus ze gaat proberen of ze de vogeltjes daarmee "groot" kan krijgen. Grote vraag is of het lukt ze via een spuit te voeren. Dat blijkt goed te lukken.

Inmiddels zijn we 4 dagen verder en beginnen de kwabjes steeds meer op echte vogeltjes te lijken. Ze laten zich horen als ze honger krijgen en vallen fanatiek aan op de spuit met voer. En, de droom van alle ouders, ze slapen 's nachts door. We zijn benieuwd hoe tam ze blijven als ze iets groter worden. Uiteindelijk zullen ze uitvliegen, waarna we ze waarschijnlijk niet meer terugzien. 




De vogeltjes op vrijdag, zondag en woensdag

De buren vertellen we maar niets over deze reddingsactie. En ach, 2 vogeltjes meer of minder, dat maakt op een rijstoogst nauwelijks iets uit. Althans, dat vinden wij.

21 september 2020

Somtjid Wongtang, filantroop

Bill Gates, Warren Buffett, Chuck Feeney, Somtjid Wongtang. Ik denk dat ik ze hier genoemd heb in volgorde van bekendheid. De eerste naam is wereldwijd zo'n beetje algemeen bekend. De tweede wat minder, de derde nog wat minder en van de vierde is de bekendheid beperkt tot Nong Noi en omstreken én de lezers van Leven in Thailand. Zelf ken ik de naam Chuck Feeney pas een paar dagen. Mijn aandacht werd getrokken door een artikel met de kop: "Miljardair die blut wilde sterven is nu blut (en nog niet dood)". Feeney had in 1982 een vermogen van 9 miljard dollar opgebouwd en besloot dat volledig weg te gaan geven. Het heeft wat tijd gekost, maar onlangs heeft hij zijn doel dan toch bereikt. Volgens diverse nieuwsberichten is hij nu officiëel blut. In dezelfde nieuwsberichten wordt overigens ook gemeld dat hij nog wel een pensioenpotje van 2 miljoen opzij had gezet, dus de definitie van blut is rekbaar, maar daar ga ik verder niet over zeuren. 

Bill Gates en Warren Buffett noemen Feeney hun grote inspiratiebron. Ook zij geven grote bedragen weg en worden steevast aangeduid met filantroop, in plaats van met belastingontwijker. Oeps, sorry, ik zou niet gaan zeuren en het is altijd nog beter om de helft van je vermogen weg te geven dan om het te gebruiken om president van een heel groot land te worden.

Somtjid Wongtang, filantroop


Somtjid Wongtang runt met haar man Pradith het plaatselijke restaurantje in Nong Noi. Ze bedient de klanten, maakt met iedereen een praatje, doet de keuken erbij als Pradith er niet is en als er dan even niets te doen is ze druk in de tuin. Die is zo weelderig dat we eerst twijfelden of Wongtang wel een restaurant was, of toch een tuincentrum. Ze is een overtuigd en praktiserend boeddhiste die op alle belangrijke dagen in de tempel te vinden is, waarbij ze regelmatig voor eten voor de hele goegemeente zorgt. Ze zorgt ook voor mensen in het dorp die al dan niet tijdelijk blut zijn en zelfs geen pensioenpotje achter de hand hebben. Daar stelt ze voedselpakketjes voor samen, of ze koopt een schooluniform of geeft een maaltijd.

Zoals de meeste Thai is ze ook gek op de loterij. Elke 1e en 16e van de maand zijn er trekkingen. Waarzeggers verdienen een flink deel van hun inkomen met het voorspellen van de winnende nummers. Van vrienden die een restaurant runnen of op de markt staan horen we dat er op de 1e en de 16e van de maand niets te verdienen valt omdat iedereen dan zijn laatste geld aan loten uitgeeft. Vanwege de verjaardag van Pradith had Somtjid speciale loten gekocht. Ik weet niet meer of iemand haar een winnend nummer had ingefluisterd of dat zij een aan Pradiths verjaardag gelieerd nummer had gekozen, maar ze won zo maar 20.000 baht. Dat is ruim 550 euro en dat is meer dan een bovengemiddeld maandsalaris hier. Ze heeft het geld inmiddels al weer uitgedeeld aan mensen die het harder nodig hebben dan zij. 

Familie Wongtang in de tempel met Kathin

Somtjid komt niet in Forbes, in The Guardian, of in de Volkskrant. Ze heeft geen pagina op Wikipedia. Ze heeft geen pensioenpotje van 2 miljoen en toch is ze niet blut. Ze is niet bekend als filantroop, maar als de vrouw die een restaurant in Nong Noi runt. Ze is geen inspiratiebron voor superrijken. Ze komt niet in het nieuws omdat ze haar gewonnen 20.000 baht weggeeft en ze hoeft ook niet in het nieuws, omdat ze gewoon doet wat goed is. Maar vandaag wil ik haar toch maar even noemen. Zodat iedere bloglezer voortaan bij het horen van het rijtje Bill Gates, Warren Buffett, Chuck Feeney enzovoort denkt: "en Somtjid Wongtang".

12 september 2020

De zoetzakken zijn er weer

We zijn er in Nederland niet meer aan gewend, maar ooit was de beschikbaarheid van fruit gebonden aan het seizoen. Tegenwoordig is vrijwel alles het hele jaar door verkrijgbaar. Dat wordt als prettig gepresenteerd, maar goed beschouwd is het dat niet. Dat je met kerstmis aardbeien kan kopen, daar wordt niemand meer extra blij van; zijn die vruchten een keer uitverkocht dan is de rest van je dag verpest. Een loose-loose-situatie, zou ik zeggen. De enige die er baat bij hebben zijn de Jumbo's en Albert Heijns. 

Hier in Thailand zijn groente en fruit nog altijd seizoensgebonden. Sinds we dat weer ervaren, hebben we erg te doen met de mensen in Nederland, want die missen dat euforische gevoel als er ineens weer meloenen, ananassen of zoete mango's op de markt te koop zijn. (Zelfs bij de Plus in Vierlingsbeek kon ik die het hele jaar door kopen.) Dat triomfantelijke gevoel waarmee je, bij thuiskomst van het boodschappen doen, met een achteloos gebaar de vrucht waar we al maanden naar verlangen op de fruitschaal legt. Het genot bij het horen van de kreet: "wow, zijn er weer lamjai?"

Gisteren waren er ineens noina's. Die behoren waarschijnlijk wel tot de meest seizoensgebonden vruchten. Pluk je ze een dag te vroeg, dan zijn ze nog niet lekker, pluk je ze een dag te laat, dan zijn ze niet meer te eten. Ik kreeg ze van Somtjid, hier in het dorp. "Kien proengnie", ofwel "eten morgen" zei ze erbij.

De noina (noi = weinig, na = mooi) is een nogal onaantrekkelijke verschijning, met een dikke grofschubbige schil. Niet iets waar je meteen je tanden in zou willen zetten. Is de vrucht rijp, dan kan je de schil er als het ware af vegen met je duim en verschijnt er een substantie die evenmin hoog zou scoren in een schoonheidswedstrijd voor fruit. Er zitten heel veel heel harde pitten in, maar die laten gemakkelijk los. Je pulkt een stukje vruchtvlees los, stopt het in je mond en spuugt de pitjes weer uit. 




De Kantonese naam voor de noina is, als je deze naar het Nederlands vertaalt, nog wat minder flatteus dan de Thaise: kippestrontvrucht. Die naam is geheel gebaseerd op het uiterlijk na het pellen, hoewel er dan nog wel wat fantasie bij nodig is. Ik vermoed in ieder geval dat je de noina niet veel in kantongerechten zult aantreffen.

In Nederlandse omschrijvingen wordt het vruchtvlees soms vergeleken met yoghurt, maar dat is wel heel vergezocht. De Engelsen spreken over een custard apple en dat is eigenlijk wel de best passende naam. Niet alleen de textuur van het vruchtvlees heeft wel wat weg van een pudding, maar ook de smaak doet er aan denken. In het Nederlands zijn er verschillende benamingen: de appelige: schubappel, suikerappel en kaneelappel, waarbij die laatste nog niet zo gek is; de smaak is inderdaad ook wat kaneelachtig. 

Maar de meest gebruikte Nederlandse naam is het weinig elegante zoetzak. Ik ben hem in Nederland nooit tegengekomen, maar de supermarkten in mijn woonplaatsen West Terschelling, Vierhouten, Bathmen, Lennisheuvel en Maashees waren waarschijnlijk ook niet de winkels waar exotisch fruit een commercieel succes zou worden. De zoetzak schijnt in ieder geval wel in Nederland verkrijgbaar te zijn. Ik kan hem aanbevelen. Maar wel snel zijn: het seizoen is zo weer over.

08 september 2020

Moordweekend

Het was een slecht weekend voor mijn karma. De eerste tekenen dienden zich donderdag al aan. Het was al donker, we zaten op het terras toen er ineens paniek was in de grote vogelkooi. Mieke rende er heen en aan de niet voor herhaling vatbare kreet kon ik opmaken dat er iets goed mis was. Er bleek een grote slang op het dak te glibberen. Het beest had door het gaas heen een van de dwergpapegaaitjes gegrepen. We hadden geen idee wat voor slang of het was, maar wilden uiteraard ook het vogeltje bevrijden, dus begonnen we het beest maar stevig met een bezem te meppen. In eerste instantie leek hij niet erg onder de indruk, maar vrij snel liet hij het vogeltje toch los. Om hem duidelijk te maken dat we het op prijs zouden stellen als hij helemaal zou vertrekken, mepten we nog even door en dat hielp. Met de staart tussen de ehhhh, nouja, hij ging er uiteindelijk dus vandoor.


We hadden het natuurlijk kunnen verwachten, maar toch was het de volgende avond weer schrikken toen er opnieuw paniekgeluiden uit de vogelkooi kwamen. Nu renden we er allebei heen en waar we bang voor waren was gebeurd: de slang was er weer en had weer een vogeltje te pakken. De bezem was er ook nog en na een paar meppen was het vogeltje weer vrij. Met de steel van de bezem hield ik de slang echter op zijn plaats. Een zeer onaangenaam dilemma diende zich aan. De 2 meter lange glibber wist duidelijk dat er hier hapklare vogeltjes te halen waren. Moesten we de natuur zijn gang laten gaan of een verder ongevaarlijke slang rigoureus opruimen?

We kozen voor het laatste. Ik heb wel eens vaker dieren dood gemaakt. Een fazant die door een auto was aangereden en zwaar gewond was, een van onze kippen die om onverklaarbare redenen lag te zieltogen, een rat die door de honden gegrepen was. Maar dat lag allemaal in de sfeer van euthanasie. Niet leuk om te doen, maar uiteindelijk bedoeld om die beesten lijden te besparen. Heel anders dus dan deze slang, die ons bovendien met de neus op het feit drukten dat we bij de bouw van de kooi wél gedacht hadden aan hoe we de vogels binnen konden houden, maar niet hoe we slangen buiten konden houden. Terwijl de aanwezigheid van slangen hier toch geenszins een verrassing was, zoals trouwe bloglezers al weten.

Weer een dag later stapte ik zoals iedere ochtend vroeg uit bed om koffie te gaan maken. Toen ik mijn lungi uit een mand pakte bleek er een takaab in te zitten. Dit is een uiterst onaangenaam sujet, weenschappelijk bekend als scolopendra subspinipes en onwetenschappelijk ook bekend als reuze-duizendpoot. Het heeft een paar uitwendige kaken waarmee het niet alleen bijt maar ook gif in kan brengen. Hoewel het gif, afgezien van voor kleine kinderen, niet dodelijk is, kan je een beet maar beter vermijden. In veel beschrijvingen wordt de takaab-beet de meest pijnlijke die er bestaat genoemd. Ze zijn, naast schorpioenen, de reden om je schoenen en laarzen, maar ook alle andere kledingstukken hier goed uit te kloppen voordat je ze aantrekt. Er is al eens een takaab in het shirt dat ik droeg terechtgekomen, maar die heeft mij toen gelukkig niet de moeite waard gevonden om zijn kaken in te zetten. Met de duizendpoot in het lungimandje hoefde ik echt geen tweede ontmoeting meer en daar heb ik dan ook voor gezorgd. (Er is weinig informatie in het Nederlands over de takaab te vinden. Op https://www.pattayaunlimited.com/thailands-monster-poisonous-centipede/ staat een uitgebreid verhaal in het Engels.) Takaab schijnt trouwens een goede bron van een medicijn tegen zere keel te zijn.

Vanmorgen was het weer raak. Mieke draaide een kraan dicht en werd prompt gestoken in een verse tattoo. De schuldige: een plooivleugelwesp. In het Engels heet het dier een social wasp en het is inderdaad zeer sociaal, maar helaas alleen tegenover soortgenoten. Met een groep bouwen ze gezamenlijk een nest. Sociale woningbouw, als het ware. Terwijl een deel van de groep gaat fourageren, blijft een ander deel het nest bewaken. En dat laatste gebeurt allesbehalve sociaal. Zodra je maar een beetje in de buurt komt vallen ze aan. Dat zou niet onoverkomelijk geweest zijn als je kon weten dat je in de buurt van het nest kwam, maar die nesten worden altijd op verdekte plekjes gemaakt. Dat je in de buurt bent weet je daardoor pas als je gestoken wordt, als je geluk hebt door eentje, maar door 2 of 3 kan ook, zoals Mieke kort na de eerste steekpartij nog twee keer moest ervaren. Inmiddels heeft ze ontdekt dat deppen met tea tree olie de pijn snel laat verdwijnen en de gebruikelijke zwelling en jeuk effectief tegen gaat.

Zit het nest op een plek waar je vaak moet zijn, zoals in dit geval dus bij een kraan, dan is er echt geen andere keuze dan de boel op te ruimen. Er wonen allerlei soorten wespen in en rond ons huisje, die overal nesten maken. Achter kasten, in laatjes, aan een handdoek, in het toongat van een fluit en ga zo maar door. Soms lastig, als blijkt dat je fluit het niet meer doet, maar verder valt er prima mee te leven; ze steken alleen als ze echt in het nauw gebracht worden. Een waarlijk sociale wesp zou daar een voorbeeld aan nemen.


Als het enigszins kan proberen we natuurlijk onaangename ontmoetingen te voorkomen. De hierboven genoemde kraan zat verscholen tussen de planten die bij de Thai bekend staan als never die-plant (maar dan in het Thais). Die planten, die hun bijnaam ontlenen aan het feit dat uit elk willekeurig deel dat de grond raakt weer een nieuw plantje, groeit hebben we nu maar verplaatst, in de hoop dat ze hun bijnaam eer aan doen. 

De never die is de plant rechts met de lantaarntjesbloem

De kraan staat nou weer vrij. Maar de (a)sociale wespen kunnen overal nog zitten. Voor de vogelkooi hebben we fijner gaas besteld, dat de slangen buiten moet houden. En de takaab... daar hebben we helaas geen diervriendelijke oplossing voor. Die valt in dezelfde categorie als de muggen. Als het hij of ik is ben ik ook een stuk minder sociaal.

Erratum

In de vorige blog schreef ik over de Fiat 500 van de rijke tak van onze familie. Het blijkt nog veel erger te zijn. Mijn neef liet me zonder gêne weten dat het geen Fiat 500 was, maar een 600. "100 cc, 2 cylinders" peperde hij me nog eens extra in. Wie denkt dat het dan wel mee viel met de ruimte: naast het gezin van 5 bleek ook oma nog mee te reizen naar Frankrijk. Voor zover bekend zat ook zij gewoon binnen.

31 augustus 2020

Natte voeten bij het plassen

Mijn oudste broer, Jos, is al ruim 7 jaar dood, maar sommige van zijn wijze lessen leven nog altijd voort. De alleroudste die ik me kan herinneren kwam vandaag ineens van pas. Hij stamt uit de zomer van 1966. Jarenlang fietste de familie La Poutré in de vakantie van Den Haag naar Zeist om daar een aantal weken in het huis van een tante en oom door te brengen. Die waren rijker dan de Haagse tak, want ze konden zich een fiat 500 veroorloven, waarin ze met zijn vijven naar Zuid Frankrijk reden. Maar in 1966 ging ook ons gezin voor het eerst in het buitenland op vakantie, met de trein naar de Côte d'Azur.

Ik was 10 jaar, Jos was 8 jaar ouder. Ik had wat echte Franse Francs gekregen en mocht daar zelf iets van gaan kopen. Met het geld in mijn vuist geklemd vergaapte ik me aan al de lekkernijen in de kiosk aan het strand van Boulouris sûr Mer. De keuze viel op een bounty, maar de verkoper begreep me niet. "Bounty" probeerde ik nog een keer en stak er één vinger bij op. Ik wees in de richting waar de bounties lagen, maar daar lagen ook milky ways, treetsen, topdrops, rangen en kingen. Teleurgesteld droop ik af. Even verderop kwam ik Jos tegen en vertelde dat ik gewoon een bounty wilde kopen, maar dat ze me niet begrepen. "Wacht maar even" zei Jos en even later kwam hij met een triomfantelijke grijns én een bounty aanlopen. "Je moet gewoon opletten hoe ze de letters hier uitspreken," zei hij. "Onze naam is geen La Pautree maar La Poetree, dus ik dacht ik vraag om een boentie en dat snapten ze." Gewapend met deze nieuwe wijsheid liep ik terug naar de kiosk en niet veel later hapte ik in mijn eerste Franse boentie.

Gisteren liepen we in een soort winkel van sinkel, In tegenstelling tot wat de buitenkant deed vermoeden was het een enorme zaak. Ik moest een computermuis hebben en het zou me niet verbazen als ze die daar ook hadden, maar ik kon er geen vinden in het rek met allerlei computerbenodigdheden. Vragen dus maar, maar "computer mouse" deed geen enkel belletje rinkelen bij de verkoper. Gelukkig kwam de wijze les van Jos bovenborrelen: gewoon opletten hoe ze de letters hier uitspreken. Als onze Thaise vrienden Engelse woorden uitspreken die eindigen op een s laten ze die klank meestal weg. House, ice en nice worden hou, aai en naai. En Engelse woorden die op ter eindigen krijgen vaak de klemtoon op die laatste lettergreep, waarbij die lang wordt uitgesproken en de r wegvalt: "tùùùhhh". "Mou compoetùùùhhh" probeerde ik daarom maar eens en jawel hoor, ik werd verwezen naar gang 3 en daar lag een ruime keuze.

Uiteindelijk namen we ook nog een oplaadkabeltje mee, maar daarvan bleek de stekker het niet te doen. Stekkers zijn van die dingen waarvan je niet eens beseft dat die het mogelijk ook wel eens niet zouden kunnen doen, maar in Thailand daar kan dat dus. We zijn er inmiddels aan gewend. De uitdrukking "met de Franse slag" is bij ons inmiddels gewijzigd in "met de Thaise slag; soms verlangen we hevig naar dingen die met de Franse slag gemaakt zijn. 

Onze riolering bijvoorbeeld. Die is keurig volgens een werktekening aangelegd. Het water van het toilet loopt via een afvoerbuis de sceptictank in. Daar bezinken de zware bestanddelen. Het water dat bovenop de brij drijft is goed bruikbaar voor de tuin. Dat vloeit daarom vanuit de sceptictank naar een verzamelput. Het water uit de keuken komt in een vetscheider, waarin het vet achterblijft terwijl de rest van het water ook naar de verzamelput vloeit. Ook de afvoeren van de wastafel en douche volgen die laatste route. De douche-afvoer moesten we overigens zelf improviseren, want die waren de riooolaanleggers tijdens de bouw vergeten; de Thaise slag, zal ik maar zeggen.

De verzamelput is ook met de Thaise slag gebouwd. Hij bestaat uit 4 betonnen ringen die in de grond op elkaar gestapeld zijn. De onderste ring heeft een bodem. Zo is er dus een put van zo'n 2 meter diep ontstaan, maar helaas zijn de ringen gewoon los op elkaar gestapeld. Na twee flinke hoosbuien is de put helemaal gevuld met regenwater. Het water in de toiletpot komt omhoog en laat de productie van die dag vrolijk ronddobberen. Inmiddels hebben we een lange dikke slang aan een vuilwaterpompje gekoppeld en tot helemaal achter in de tuin uitgerold. Als het weer zover is haal ik de betonnen deksel van de put, hang de pomp erin, trek de stroomgenerator aan en na 10 minuten is de boel weer klaar voor de volgende 2 hoosbuien.

Intussen probeer ik de belasting van de riolering zo veel mogelijk te minimaliseren door te wildplassen. Hier levert dat geen boete van 70 euro op. Ik krijg er wel natte voeten van. Niet omdat ik niet kan richten of zo dom ben om tegen de wind in te plassen, maar omdat ik niet meteen naast de paadjes wil gaan staan. Ik moet dus het natte gras in. En eigenlijk laarzen aantrekken.

15 augustus 2020

Falangstreductie

De Thai zijn meesters in het vol laden van auto's. Of eigenlijk is het het méér dan vol laden van auto's. Je ziet hier regelmatig pickupjes waarvan de lading een paar meter hoog is opgetast. Ook zie je veel auto's waar allerlei constructies aan zijn gefreubeld zodat er (nog) meer op kan. Vrachtwagens met een laadvloer die gewoon nog anderhalve meter is verlengd aan de achterkant zijn evenmin een uitzondering. Wij werden er zelf een keer mee geconfronteerd toen we de rijstkaf bestelden waarmee het grootste deel van de muren van Baan Din is gevuld. We konden dat "per truck" bestellen en toen we wilden weten hoe groot zo'n truck dan wel niet was wees de verkoper op die van ons. "Same same." Eén truck leek ons een goede hoeveelheid om mee te beginnen, maar toen de lading werd afgeleverd bleek die 3 meter hoog en naar alle kanten uitpuilend te zijn. We hebben nog steeds een bergje van het spul liggen.

Bij het vol laden van auto's lijkt het enige doel te zijn dat er zo veel als mogelijk mee gaat. Of de auto dat ook echt aan kan, en of deze wel bestuurbaar blijft, is niet relevant. En dus gaat het regelmatig mis. Wie denkt dat ik overdrijf om mijn verhaal lekker smeuïg te maken moet maar even kijken naar https://www.youtube.com/watch?v=IKtWTaMHXNM. Of anders naar https://www.youtube.com/watch?v=RD8UdHzlO2o. Dagelijks vallen er wel een paar pickupjes om of zakken door hun assen. Dat leidt tot het vreemde verschijnsel dat de goedkopere 2-deurs-pickupjes duurder zijn in de verzekering dan de duurdere 4-deurs. Hier in Thailand kan je zien hoe het Nederlandse wagenpark eruit zou hebben gezien als er geen strenge regels aan het grijze kenteken zouden zijn gesteld. De helft van de auto's heeft iets dat op een laadbakje lijkt en kwalificeert daarmee voor het Thaise equivalent van een grijs kenteken. Superdeluxe SUV's hebben een bakje van nog geen meter en zijn daardoor formeel pickupjes. 


Vanmiddag reed ik achter een pickupje dat overvol geladen was met ijzeren buizen, die naar voren en naar achteren zo'n anderhalve meter uitstaken. Het ging allemaal op een sukkeldrafje, en omdat het een bochtige weg was bleef ik er maar achter. We zijn nog niet zo verthaist dat we aan kamikazeachtige inhaalacties beginnen. Bij de spoorwegovergang nam het laaghangende truckje nog wat gas terug. Om onduidelijke redenen is het wegdek op vrijwel alle Thaise spoorwegovergangen een mix van bulten en gaten, waardoor je er stapvoets overheen moet. Misschien is dat wel bewust zo gedaan om het verkeer snelheid te laten terugnemen. Verkeersborden en knipperlichten bereiken dat effect hier niet. Hotsend en botsend hobbelde het autootje het spoor over en toen de bestuurder net weer wat gas bij wilde geven gleed de helft van de lading aan de achterkant van de wagen af.

Minstens 20 van de buizen lagen op de rails. Gelukkig gaan er hier net zo veel treinen per dag als op sommige Nederlandse trajecten in een uur, en gelukkig gaan de treinen bij lange na geen 120 km/u, maar dat de chauffeur wat ongelukkig naar de ravage stond te kijken zal niemand verbazen. Hij sjorde wat aan een buis, maar kreeg deze met moeite van zijn plaats. Ik besloot uit te stappen. Hij leek te schrikken van de lange witte man die op hem afkwam. Ik gebaarde dat ik hem wilde helpen. De eerste buis die we optilden wilde hij meteen naar zijn auto dragen, maar ik probeerde hem duidelijk te maken dat we beter eerst alles van het spoor af konden halen. Dat leek hem bij nader inzien toch ook wel het beste en zo kon even later een kleine file Thaise automobilisten zien hoe een Thais mannetje en een farang reus een lading buizen versjouwde. Het was behoorlijk warm en ik was al aan het bedenken hoe ik hem kon vragen of hij iemand anders kon zoeken om de boel weer op zijn auto te krijgen, toen er zo'n zelfde pickupje met een zelfde lading ijzeren buizen aan kwam sukkelen. Het bleek een collega van de eerste man te zijn. Als de nood het hoogst is....

Met veel gebuig en gewai en gekapunmaakkrap werd ik bedolven onder de bedankjes. Verder onderweg moest ik denken aan zijn verschrikte blik toen ik op hem af stapte. "Farang" worden wij buitenlanders hier genoemd en meestal wordt dat uitgesproken als falang. Voor de Thai die die farang maar vreemd en zelfs een beetje eng vinden hebben wij bedacht dat die aan falangst lijden. Vandaag heb ik dus een effectief stukje falangstreductie weten te bereiken. Niet gek voor een amateur.