10 maart 2015

Never shut off engine

Ineens stond hij daar, vol in het licht van onze koplampen. We hadden de instructies goed in onze oren geknoopt, dus ik schakelde van groot licht naar dimlicht en reed langzaam achteruit, terwijl Mieke in het vrijwel donker probeerde de olifant te schieten. Met haar camera, uiteraard.

Het had niet veel gescheeld of we hadden hem nooit gezien. Het liefst was ik die ochtend namelijk meteen weer vertrokken. Bij het boeken van de kamer midden in Khao Yai National Park had ik een duidelijk plaatje voor ogen: een pikdonkere nacht, oorverdovend stil, en dan, als het licht begint te worden, een langzaam aanzwellend orkest van diergeluiden, met als apotheose het concert van de gibbons.
Helaas liep het anders. De rest van de kamers in het gebouw was afgehuurd door een groep die al om 5:30 vertrok voor een zonsopkomst-safari. Omdat er ontbeten en onderweg gegeten moest worden, was de keukenploeg al om half vier in de weer met potten en pannen, waarbij volgens goed Thais gebruik de televisie aan moest. Toen ik daar van wakker werd dacht ik eerst dat het al licht was, maar het bleek dat ze de tl-verlichting op de veranda hadden aangedaan; door de dunne gordijnen heen gaf dat de indruk van daglicht. Om 5 uur startte de eerste auto; terwijl onze huurauto zelfs bij het stoplicht automatisch afsloeg en automatisch weer startte als je de rem losliet, lieten deze natuurliefhebbers hun diesel een half uur voor Jan … draaien.

Nadat het gezelschap was vertrokken bleef de tv haar soap verkondigen. Waarom in een nationaal park überhaupt een tv moet zijn is me overigens een raadsel. Ik liep naar de veranda om hem uit te zetten, maar er bleek ook nog een opruimploeg te zijn, die absoluut niet zonder geluid kon. Nergens rond het gebouw was ik veilig voor de Thaise John de Molpulp. Het liefst was ik dus maar meteen vertrokken, maar we hadden met Carin en Christine juist daar twee nachten geboekt, dus ik besloot er maar het beste van te maken en voor de volgende nacht de oordopjes klaar te leggen. Echt boos zijn op die groep lukte ook niet, want de vorige avond hadden we er zo maar aan kunnen schuiven voor de avondmaaltijd, gratis en voor niks.

Na ons eigen ontbijt gingen we zelf op pad door het park en was de nachtelijke ellende gauw vergeten. Khao Yai is overweldigend mooi. We reden wat, we liepen wat, we haalden wat slaap in, we zagen herten, gibbons, neushoornvogels en heel veel meer.
Omdat de kwaliteit van de Khao Yaise Pad Thai tamelijk beroerd was (we zijn alle vier niet zo kieskeurig maar op dit punt was het oordeel unaniem), en omdat er getankt moest worden, besloten we het park uit te rijden voor brandstof voor de auto en voor onszelf. Langs de weg naar Pak Chong stikt het van de kekke tentjes, waaronder opvallend veel met Italiaanse keuken. Verder was het natuurlijk wel weer helemaal Thais. Wat 3 van ons bestelden bleek er niet te zijn. Eigenlijk konden we alleen kiezen uit pasta en pizza. Een kwartier later kreeg ik mijn carbonara en kreeg Mieke te horen dat er geen het (paddestoelen) waren. Haar alternatief, ook carbonara, kwam toen ik de mijne op had. Toen Mieke klaar was volgde Carin's kai en daarna was het wachten op Christine's pizza. Ik grapte nog dat ze die waarschijnlijk even bij de 7/11 moesten gaan halen, maar dat bleek uiteindelijk geen grap. Gezellig was het allemaal wel.

Het was al donker toen we terugreden. Khao Yai was al dicht, maar op vertoon van de kamersleutels mochten we doorrijden. Met een slakkengangetje kronkelden we de donkere berg op. Na een lange klim ging de weg iets omlaag, en nadat we een flauwe bocht hadden gehad zagen we hem staan, dwars op de weg waar deze iets verderop weer wat omhoog ging. Vol ontzag bekeken we hoe hij op zijn gemak wat met zijn slurf in de struiken langs de weg stond te rommelen. We hadden thuis het filmpje gezien van de olifant in Khao Yai die op een auto klom, dus de sfeer in de auto schommelde tussen opwinding en spanning.

Groot licht uit, dat was één van de what-to-do-when-you-meet-elephant-richtlijnen. Blijf op minstens 30 meter afstand was een van de andere. Daar voldeden we nog wel aan. “Never shut off engine” was een groter probleem. Zoals gezegd deed onze huurauto dat namelijk automatisch. Gelukkig vond ik een knop waarmee ik die functie uit kon schakelen. “When elephant comes your way, drive back slowly and try to turn around”... Ja hoor, dat gaat echt lekker op een bergweg in het pikkedonker. En natuurlijk besloot Jumbo dat het gras aan onze kant nog lekkerder was en begon hij in de richting waar wij stonden te kuieren. Zo goed en zo kwaad als het ging probeerde ik op de spiegels en achteruitrijlichten de bocht te vinden en het midden van de weg te houden. Natuurlijk wilden we de olifant tegelijk ook wel blijven zien. Als cadeautje kwam er van de andere kant een auto aan die voor een mooi tegenlicht zorgde (de dimlicht-regel was de bestuurder onbekend; in tegendeel, hij zette zelfs groot licht op om het beter te kunnen zien) en Mieke gelegenheid gaf voor de ultieme foto. Een Thais jong stelletje kwam op een brommertje voorbij en verbrak ter plekke het wereldrecord “snel omkeren en wegwezen.”
Net toen ik overwoog om toch maar te proberen verder terug te rijden om een breder stuk weg te vinden waar ik zou kunnen keren, stapte de olifant de berm in en verdween hij in de bush.


Op de laatste ochtend werden we nog getracteerd op een prachtig gibbonconcert. Zo werd Khao Yai zowel in negatieve als in positieve zin een onvergetelijk einde van onze reis. Er zijn mensen die om principiële redenen weigeren het park te bezoeken, omdat de toegangsprijs voor farang flink wat hoger is dan voor Thai. Nog afgezien van de vraag of die principes erg veel indruk maken, blijft deze nog altijd ver onder die van de Hoge Veluwe liggen en is wat je krijgt die 400 bath per persoon meer dan waard. De volgende keer zorgen we wel voor een bungalow voor onszelf. Aan Khao Yai is dat goed besteed.