10 maart 2015

Kai, khai en de bijna vergeten bplaa.

Soms moet je pech hebben om geluk te hebben. Ik had natuurlijk ook met de veelgeciteerde wijsheid van ons nationale voetbalorakel kunnen beginnen, maar mijn eigen, zojuist bedachte variant sluit beter aan bij dit verhaal.

We wilden graag nog een stukje de Isaan in, maar zaten nog altijd in Nan. In één dag naar de omgeving van Loei leek weliswaar niet onmogelijk, maar zou een hele dag autozitten en vervelende wegen tussen de typisch Thaise betonnen bebouwing door betekenen. Als alternatief kozen we er daarom voor de eerste dag naar Uttaradit te rijden en de dag daarna de reis te vervolgen. Dat zou ons mooi de gelegenheid geven het bijzondere erosie-fenomeen van Sao Din te bekijken.

Zondag naar Sao Din bleek echter geen goed idee. Half Nan was uitgereden en het leek er wel een kermis. We keken elkaar eens aan en besloten door te rijden. Daar hadden we even later al weer spijt van, want ook het fotograferen van een Thaise “kermis” had heel erg de moeite waard kunnen zijn. Omdraaien vonden we echter ook geen optie.

“Fisherman village”, stond er op een wegwijzer, nadat we weer een tijdje gereden hadden. Opvallend, want de zee was hier in geen velden of wegen te bekennen. “Laten we daar dan maar pauzeren en kijken of we een visje kunnen scoren,” bedachten we. Het duurde uiteindelijk nog bijna een uur voor we het enorme stuwmeer zagen liggen. En een paar bochten verder ontvouwde zich een van de mooiste stukjes Thailand die we ooit gezien hebben.

Ban Pak Nai heet het dorpje, en het grootste deel van de huizen is gebouwd op vlotten die in het meer drijven. Een van de eethuisjes bestaat uit een serie aan elkaar geknoopte vlotten. Je kunt er ook een simpel hutje huren en op het water overnachten. We zijn intussen zo trots op onze minimale kennis van het Thai dat we keauw met kai en khai bestellen en helemaal vergeten dat we er voor de bplaa gekomen waren. Als we ons dat realiseren staat de maaltijd al op tafel. Zonder vis gegeten te hebben uit Pak Nai vertrekken, dat kan volgens Mieke echter niet, dus even later komt de kok met een schepnet aan en vist een bplaatje op, dat een paar minuten later overheerlijk gekruid en gebakken op onze tafel wordt gezet. Hoe vers wil je het hebben...

Na onze aankomst in het dorp hadden we eerst een rondje gelopen en onder meer gezien hoe een vlot met daarop een auto en een paar mensen door een gemotoriseerde kano werd voortgesleept. Uiteraard hadden we dat tafereeltje vastgelegd. Toen we na de heerlijke lunch weer vertrokken meldde Linda, onze navigatiemevrouw, dat we na 400 meter aan boord van de veerboot moesten gaan. Het door de kano gesleepte vlot bleek de officiele veerdienst naar de overkant van het meer.


Uttaradit hebben we die dag niet meer gehaald. Het oponthoud in Ban Pak Nai, het wachten op, en de overtocht op het vlot, en de ruim 50 kilometer kronkelende bergweg daarna, kostten meer tijd dan verwacht, maar waren het dubbel en dwars waard. 90 kilometer voor Uttaradit vonden we een aardig guesthouse, waar we besloten de stad de volgende dag maar helemaal links te laten liggen en naar Nam Nao National Park te rijden. Zo kwamen we uiteindelijk toch in de Isaan terecht.